Conclusie
1.Feiten
konworden afgewend, is niet aannemelijk dat deze veronderstelling onjuist was. Het is het Hof niet duidelijk hoe het komt dat de faillissementszaak in hoger beroep is geroyeerd (of doorgehaald). Indien Aruba Bank c.s. op 20 april 2010 niet meer wensten dat [betrokkene] failliet werd verklaard, hadden zij (eenparig met [betrokkene]) het Hof kunnen verzoeken het door het GEA uitgesproken faillissementsvonnis te vernietigen. Het had voor de hand gelegen dat het Hof dan overeenkomstig een dergelijk eenparig verzoek zou hebben beslist. Gesteld noch gebleken is dat er derden waren betrokken die het faillissement wel wilden doorzetten.
zouworden afgewend, is sprake van een uitsluitend toekomstige gebeurtenis in de zin van art. 6:228 lid 2 BW Pro, zodat daarop de vernietiging niet kan worden gegrond.
3.Bespreking van de klachten
onderdeel IIIb.Het klaagt dat het Hof in rov. 2.3 onder b en c blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Ten onrechte zou het Hof hebben aangenomen dat indien de verzoekers tot het faillissement hun verzoek tot faillietverklaring in hoger beroep zouden intrekken en derden niet te kennen hebben gegeven het faillissement te willen doorzetten, de faillissementsverklaring per definitie zou worden vernietigd (onderdeel b) en dat sprake is geweest van een dwaling omtrent uitsluitend toekomstige verwachtingen (onderdeel c).
voor de handligt dat in het onderhavige geval - gelet ook op de omstandigheid dat er geen derden bij het faillissement betrokken waren [6] - de faillissementsrechter op eenparig verzoek van partijen tot vernietiging zou zijn overgegaan [cursivering toegevoegd]. Het Hof zegt dus niet dat dit per definitie het geval zou zijn geweest. Aldus getuigt ’s Hofs oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting.
zouworden afgewend”.
herleid.” [10]
onderdeel 1); [betrokkene] was daarbij, geparafraseerd weergegeven, een willoos werktuig van de bank (toelichting onder 1.48);