ECLI:NL:PHR:2013:BY9713
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken van opzet op het in hulpeloze toestand laten van echtgenote met ernstig letsel
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 26 juni 2009 zijn echtgenote opzettelijk in een hulpeloze toestand had gebracht of gelaten, wat leidde tot haar overlijden door ernstig bloedverlies veroorzaakt door een snijwond aan de arm. Het hof stelde vast dat het letsel mogelijk door een val in glas was ontstaan, zonder dat de verdachte hierbij betrokken was.
Uit deskundigenrapporten bleek dat de verdachte leed aan mild cognitive impairment (MCI) door hersenschade en langdurig alcoholgebruik, waardoor hij moeite had met het inschatten van situaties en adequaat handelen. Hij was fysiek gehandicapt en kon zich niet goed verplaatsen. De verdachte had wel enige hulp geboden, maar was zich niet voldoende bewust van de ernst van de situatie en de noodzaak van medische hulp.
Het hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend bewezen was dat de verdachte opzettelijk of voorwaardelijk opzettelijk zijn echtgenote in een hulpeloze toestand had gelaten. De cognitieve beperkingen en gedragskenmerken van de verdachte maakten het aannemelijk dat hij onvoldoende inzicht had in de toestand van zijn echtgenote. De verdachte werd daarom vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte werd vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs van opzet op het in hulpeloze toestand laten van zijn echtgenote.