ECLI:NL:PHR:2013:BZ1404
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing en overgangsrecht van gewijzigde TBS-regeling met voorwaarden
In deze zaak staat de toepasselijkheid van de per 1 september 2010 gewijzigde artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht centraal, die de maximale duur van de maatregel terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden verlengen van vier naar negen jaar. De verdachte werd veroordeeld voor moord en kreeg een TBS-maatregel opgelegd. Het hof oordeelde dat de nieuwe regeling van toepassing is, omdat de onherroepelijke uitspraak nog niet was gedaan bij inwerkingtreding van de wet.
De advocaat-generaal stelde dat artikel 1, tweede lid, Sr van toepassing zou zijn, waardoor de oude regeling gunstiger zou zijn. De Hoge Raad overweegt echter dat deze bepaling alleen geldt voor lopende vervolgingen en dat de wetswijziging executierecht betreft, geen sanctierecht. De overgangsregeling sluit toepassing van de nieuwe wet niet uit.
Het hof concludeerde dat de nieuwe regeling gunstiger is voor de verdachte dan de oude regeling met dwangverpleging. Het cassatieberoep richt zich tegen dit oordeel, maar de Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de nieuwe regeling van toepassing is en dat het cassatieberoep faalt. De Hoge Raad benadrukt dat de wijziging executierecht betreft en dat de verlengingsrechter gebonden is aan de maximale duur volgens artikel 38e Sr.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de nieuwe regeling voor TBS met voorwaarden is van toepassing.