ECLI:NL:PHR:2013:BZ1705
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid en gevolgen van kwijtschelding douaneschuld bij fraude met sigarettenvervoer
De zaak betreft [A] Beheer, een houdstermaatschappij van meerdere werkmaatschappijen, die als douane-expediteur betrokken was bij fraude met sigarettenvervoer waarbij goederen niet naar de opgegeven bestemming werden gebracht maar illegaal in Nederland in het vrije verkeer zijn gebracht. De Staat legde een uitnodiging tot betaling (UTB) op voor invoerrechten, omzetbelasting en accijns ter waarde van ruim ƒ 16 miljoen. Na bezwaar en beroep werd uiteindelijk kwijtschelding verleend voor de douaneschuld op grond van buitengewone omstandigheden, erkend door de Europese Commissie en het Hof van Justitie EG.
De curator van [A] Beheer stelde dat het opleggen en handhaven van de UTB onrechtmatig was en dat de Staat onrechtmatige invorderingsmaatregelen had getroffen. De rechtbank en het gerechtshof wezen deze vorderingen af, waarbij het hof oordeelde dat de UTB rechtmatig was opgelegd en dat de latere kwijtschelding niet gelijk staat aan vernietiging van de UTB. Ook de formele rechtskracht van de UTB werd bevestigd, omdat tegen de UTB een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstond die niet tot vernietiging leidde.
De Hoge Raad bevestigt deze oordelen en wijst het cassatieberoep af. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de UTB op grond van het Europese douanerecht verplicht was, dat de kwijtschelding niet betekent dat de UTB onrechtmatig was, en dat de invorderingsmaatregelen geen onrechtmatige daad vormen zolang uitstel van betaling geldt. Tevens is het beroep op het égalité-beginsel onvoldoende onderbouwd en faalt het in zoverre. De formele rechtskracht van de UTB blijft gehandhaafd, waardoor de civiele vorderingen tot schadevergoeding niet toewijsbaar zijn.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de UTB rechtmatig is opgelegd en de vorderingen tot schadevergoeding worden afgewezen.