ECLI:NL:PHR:2013:BZ1916
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid teruggaafverzoeken dividendbelasting niet-ingezeten vennootschap
De zaak betreft een in Frankrijk gevestigde vennootschap die teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting vordert over de jaren 2000 tot en met 2008. De vennootschap stelt dat zij in vergelijking met een vergelijkbare in Nederland gevestigde vennootschap zwaarder wordt belast, wat in strijd zou zijn met het EU-recht op vrij kapitaalverkeer.
De Rechtbank oordeelde dat de verzoeken tot teruggaaf voor de jaren 2000-2002 niet ontvankelijk waren wegens overschrijding van de termijn, maar dat verzoeken voor latere jaren ontvankelijk waren. Het Hof Amsterdam stelde echter dat de termijn drie jaar bedraagt en verklaarde de verzoeken voor 2000-2003 niet-ontvankelijk. Zowel Rechtbank als Hof wezen de inhoudelijke beroepen af omdat de dividendbelasting in Frankrijk voor de jaren 2000-2007 volledig werd verrekend en voor 2008 onvoldoende toerekenbare kosten waren aangetoond.
De Hoge Raad bevestigt dat de termijn van drie jaar geldt en dat verzoeken voor 2000-2003 niet ontvankelijk zijn. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de vennootschap niet vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigde vennootschap voor de vennootschapsbelasting en dat er geen sprake is van verboden discriminatie. De verrekening van dividendbelasting in Frankrijk neutraliseert het verschil voor de jaren 2000-2007, en voor 2008 is onvoldoende bewijs geleverd dat de belastingdruk hoger is dan bij een ingezetene. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de verzoeken tot teruggaaf dividendbelasting voor 2000-2003 zijn niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding; voor latere jaren is geen sprake van EU-discriminatie.