ECLI:NL:PHR:2013:BZ2729
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling loonbelasting voor personeelsfondsuitkeringen zonder vijfjarige bestaansduur
In deze zaak staat centraal of een personeelsfonds vijf jaar moet bestaan alvorens vrijgestelde uitkeringen te kunnen doen op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel n, van de Wet op de Loonbelasting 1964. Belanghebbende richtte een stichting op die uitkeringen deed aan werknemers, waarbij zowel werknemers als werkgever bijdragen leverden aan het fonds. De Rechtbank vernietigde naheffingsaanslagen die de Inspecteur had opgelegd.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in met het argument dat de vrijstelling niet van toepassing is als niet in elk van de vijf kalenderjaren is bijgedragen. De Advocaat-Generaal concludeerde echter dat de tekst en wetsgeschiedenis geen eis stellen dat het fonds vijf jaar moet bestaan voordat vrijgestelde uitkeringen kunnen worden gedaan. De vijfjaarsperiode is bedoeld als referentieperiode om bewijsproblemen te voorkomen en niet als een vereiste minimale bestaansduur.
De Hoge Raad volgt deze redenering en verklaart het cassatieberoep ongegrond. Hiermee wordt bevestigd dat reeds binnen vijf jaar na oprichting van een fonds vrijgestelde uitkeringen kunnen plaatsvinden, mits aan de overige voorwaarden is voldaan. Dit voorkomt onnodige belemmeringen voor nieuwe fondsen en sluit aan bij de ratio van de regeling, namelijk het voorkomen van dubbele heffing wanneer werknemers zelf bijdragen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard; een personeelsfonds hoeft niet vijf jaar te bestaan om vrijgestelde uitkeringen te kunnen doen.