ECLI:NL:PHR:2013:BZ3624
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid hoger beroep bij niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 416 Sv
In deze zaak gaat het om de vraag of een gerechtshof bij een niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep op grond van art. 416 Sv Pro ook verplicht is om, conform art. 422 Sv Pro, mede te beraadslagen naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg. Het hof had verdachte bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad stelt vast dat de ontvankelijkheidsvraag van het hoger beroep in art. 422 Sv Pro ruim moet worden begrepen, inclusief de niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 416 Sv Pro. De voorgeschreven beraadslaging van art. 422, tweede lid, Sv komt pas aan de orde nadat het hof heeft vastgesteld dat de appellant rechtsgeldig is opgeroepen en in het hoger beroep kan worden ontvangen. Het hof is niet gehouden om het onderzoek in eerste aanleg te betrekken bij de beslissing tot niet-ontvankelijkheid op grond van art. 416 Sv Pro.
Verder overweegt de Hoge Raad dat niet-naleving van art. 422, tweede lid, Sv niet automatisch leidt tot nietigheid van het hoger beroep, tenzij de verdachte door het verzuim in enig belang is geschaad. In deze zaak is geen sprake van zodanige schade. Het cassatieberoep faalt daarom en wordt verworpen.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof heeft terecht de niet-ontvankelijkverklaring uitgesproken zonder beraadslaging op grond van het onderzoek in eerste aanleg.