ECLI:NL:HR:2006:AY9214
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Beoordeling omvang onderzoek en strafoplegging na verwijzing door Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 5 december 2006 uitspraak gedaan in een strafzaak waarin de verdachte was veroordeeld voor mishandeling en medeplegen van opzettelijke benadeling van de gezondheid van zijn kinderen. Na verwijzing door de Hoge Raad had het hof in hoger beroep de verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 422, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, de beraadslaging in hoger beroep moet geschieden naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg, zoals dat volgens het proces-verbaal heeft plaatsgevonden. Niet-naleving hiervan leidt niet automatisch tot nietigheid, tenzij de verdachte daardoor in zijn belangen is geschaad, hetgeen hier niet het geval was.
Voorts bevestigde de Hoge Raad dat de strafrechter bij strafoplegging rekening mag houden met feiten en omstandigheden die mogelijk een zelfstandig strafbaar feit vormen, mits de verdachte deze feiten ter terechtzitting heeft erkend en het Openbaar Ministerie geen vervolging instelt. In deze zaak was geen sprake van een formele ad informandum voeging, maar het hof mocht wel de omstandigheid meenemen dat de verdachte het babylijkje in de schuur had verborgen als nadere uitwerking van de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn begaan.
Het cassatieberoep werd verworpen omdat geen van de middelen slaagde en er geen ambtshalve vernietigingsgronden waren.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de opgelegde gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, blijft in stand.