ECLI:NL:PHR:2013:BZ7203
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid van valse verklaringen in civiele procedure na strafzaak over aanslag
De zaak betreft een civiele procedure waarin eiser vordert dat verweerders onrechtmatig hebben gehandeld door opzettelijk valse verklaringen af te leggen over zijn betrokkenheid bij een aanslag op hun broer, die ongeveer een maand later overleed. Eiser was verdachte in de strafzaak en heeft voorlopige hechtenis ondergaan, maar de strafzaak werd beëindigd zonder veroordeling.
In de civiele procedure stond centraal of verweerders bewust onjuiste verklaringen hebben afgelegd. De rechtbank oordeelde dat verweerders aannemelijk hadden gemaakt dat de verklaringen van hun broer over de dader juist waren doorgegeven. Het hof bevestigde dit oordeel en wees het bewijsaanbod van eiser af, omdat dit onvoldoende ter zake dienend was om de opzettelijke onjuistheid aan te tonen.
Eiser stelde in cassatie dat het hof onjuiste rechtsopvattingen had toegepast, met name omtrent het beginsel van equality of arms en de bewijslast. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat de civiele procedure eerlijk was verlopen, dat eiser de bewijslast droeg en dat het hof terecht het bewijsaanbod had gepasseerd. De vordering tot verklaring voor recht werd afgewezen omdat eiser onvoldoende bewijs leverde van opzettelijk onrechtmatig handelen door verweerders.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt dat eiser onvoldoende bewijs leverde dat verweerders opzettelijk valse verklaringen hebben afgelegd en wijst zijn vordering af.