ECLI:NL:PHR:2013:CA0277
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over faillietverklaring en steunvorderingen bij kredietovereenkomst
In deze cassatiezaak staat de vraag centraal of Jemnice B.V. en En Sof B.V. zich in een toestand van opgehouden hebben te betalen bevinden, zoals bedoeld in artikel 1 van Pro de Faillissementswet, en of het faillissement terecht is uitgesproken. De vennootschappen hadden een kredietovereenkomst met ERED, waarbij zij in gebreke bleven met de betaling van rente en hoofdsom. De rechtbank sprak het faillissement uit, en het hof bevestigde dit oordeel, mede op basis van het ontbreken van liquide middelen en het verzoek om redressement judiciaire in Frankrijk.
De Hoge Raad benadrukt dat bij faillietverklaring het bestaan van meerdere schuldeisers noodzakelijk is, maar dat dit niet altijd strikt vereist is voor een redressement judiciaire. De motiveringsplicht in deze spoedprocedure is beperkt, maar moet wel voldoende inzicht geven in de reden van het oordeel, zeker als verweer is gevoerd. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de vennootschappen geen liquide middelen hebben en dat de betalingsachterstand voldoende is vastgesteld.
Wel oordeelt de Hoge Raad dat het hof ten onrechte de taxatiekosten van CBRE als steunvordering heeft aangemerkt, omdat ERED deze kosten namens de vennootschappen heeft gemaakt. Ook moet het hof nader motiveren waarom een factuur van een accountantskantoor als onbetaald wordt beschouwd. De kwalificatie van een achtergestelde vordering als steunvordering wordt eveneens verworpen wegens gebrek aan bijzondere omstandigheden.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep voor het overige en bevestigt daarmee het faillissement van Jemnice B.V. en En Sof B.V.
Uitkomst: Het faillissement van Jemnice B.V. en En Sof B.V. wordt bevestigd, met gedeeltelijke vernietiging van het oordeel over steunvorderingen.