ECLI:NL:PHR:2013:CA1574
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vergissing douaneautoriteiten bij navordering douanerechten knoflooktenen
Belanghebbende heeft elf aangiften gedaan voor het vrije verkeer van knoflooktenen, waarbij de knoflook ten onrechte als bevroren werd ingedeeld. De Inspecteur corrigeerde dit en legde een uitnodiging tot betaling (utb) op voor een bedrag van €152.256,05. De Rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een vergissing van de douane, terwijl het Hof oordeelde dat voor twee van de elf aangiften wel sprake was van een vergissing, waardoor de utb werd verminderd.
In cassatie betoogt belanghebbende dat de douane zich ook bij vijf andere aangiften heeft vergist en dat de navordering verder moet worden verminderd. Tevens stelt zij dat de douane onterecht terugwerkende kracht heeft verleend aan een Europese verordening. De Advocaat-Generaal concludeert dat de douane zich inderdaad bij twee aangiften heeft vergist en dat drie andere aangiften geacht kunnen worden op een vergissing te berusten, waardoor de utb verder moet worden verminderd. Hij wijst erop dat tariefindelingsverordeningen geen terugwerkende kracht hebben en dat de Inspecteur geen schending van het rechtszekerheids- of zorgvuldigheidsbeginsel heeft begaan.
De kern van het geschil draait om de uitleg van artikel 220, lid 2, onder b, van het Communautair douanewetboek (CDW), dat bepaalt dat navordering achterwege blijft indien sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten die de belanghebbende niet redelijkerwijs kon ontdekken en waarbij deze te goeder trouw handelde. De conclusie bevat een uitgebreide analyse van jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Hoge Raad over het begrip vergissing, de voorwaarden waaronder navordering achterwege blijft, en de reikwijdte van het vertrouwensbeginsel.
De Advocaat-Generaal adviseert de Hoge Raad het beroep in cassatie gegrond te verklaren en de utb te verminderen tot €65.934,61, waarmee de zaak kan worden afgedaan. Het oordeel van het Hof dat geen sprake is van schending van het rechtszekerheids- of zorgvuldigheidsbeginsel wordt onderschreven.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond en vermindert de uitnodiging tot betaling tot €65.934,61 wegens vergissingen van de douaneautoriteiten.