Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
onder bepaalde omstandigheden- in volle zee te verblijven (bijvoorbeeld tot ongeveer windkracht 7), althans in het kustgebied tot ongeveer 21 mijl buiten de kust, riviermondingen, kustwateren of meren van bijvoorbeeld België, Nederland, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, enzovoorts.
3.Het geding in feitelijke instanties
4.Het geding in cassatie
zeewaardigzijn en niet of ze daadwerkelijk
zeegaandzijn. Het gaat er volgens belanghebbende om of de scheepscasco’s na afbouw geschikt zijn voor de vaart in volle zee. Belanghebbende wijst in dit kader naar aanvullende aantekening 1 op hoofdstuk 89 van de GN waarin wordt gesproken over goederen/schepen die “ontworpen en gebouwd moeten zijn voor de vaart in volle zee” en de GN-toelichting daarop. Voorts voert belanghebbende aan dat indien het bestemmingscriterium wel van toepassing is, dit dient te worden toegepast op de objectieve kenmerken en eigenschappen die de scheepscasco’s op het moment van invoer hebben. Niet van belang is dat van de scheepscasco’s uiteindelijk binnenvaartschepen worden gemaakt, aldus belanghebbende. Tot slot is belanghebbende van mening dat het Hof ten onrechte selectief gebruik heeft gemaakt van de deskundigenverklaringen. Belanghebbende concludeert dat de scheepscasco’s bij invoer onder de juiste postonderverdeling van de GN zijn ingedeeld.
Behn Verpackungsbedarf [8] en in REC-beslissing [9] 09/2003. Voorts is haars inziens het door het Hof genoemde arrest
Olasagasti e.a. [10] niet van toepassing, omdat het HvJ in die zaak een antwoord heeft gegeven op een andere rechtsvraag dan die in de onderhavige zaak aan de orde is. Het oordeel van het Hof dat het stilzitten van de douaneautoriteiten niet als vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, onderdeel b, van het CDW kan worden aangemerkt omdat de goederenomschrijving in de aangifte niet specifiek genoeg is, bestrijdt belanghebbende door te betogen dat 1) de aangiften onlosmakelijk zijn verbonden met de facturen en 2) het gebruik van een risicoanalyse of selectieprofiel niet aan toepassing van het vertrouwensbeginsel in de weg staat. Naar de mening van belanghebbende is het haar niet aan te rekenen dat de facturen in Nederland niet behoeven te worden aangehecht aan de aangifte. Ook is belanghebbende van mening dat zij aan een controle van een andere importeur, die werd vertegenwoordigd door dezelfde vertegenwoordiger als waarvan belanghebbende gebruik maakt, gewettigd vertrouwen kon ontlenen omdat de door de vertegenwoordiger gebruikte goederencode bij die controle (impliciet) werd goedgekeurd. Alle handelingen van de douaneautoriteiten dienen naar de mening van belanghebbende in onderlinge samenhang te worden bezien en zijn voldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel ex artikel 220, lid 2, aanhef en onderdeel b, van het CDW.
HR BNB 2011/261 [12] . Voorts wijst de Staatssecretaris op het arrest
B.A.S. Trucks [13] , waaruit hij afleidt dat in de onderhavige situatie geen sprake is van ‘schepen, ontworpen voor de vaart in volle zee’, nu zij speciaal en primair zijn ontworpen voor de binnenvaart. Tot slot neemt de Staatssecretaris met betrekking tot het eerste middel van belanghebbende het standpunt in dat de waardering van de deskundigenverklaringen is voorbehouden aan het Hof en dat het oordeel van het Hof op dat punt voldoende gemotiveerd en begrijpelijk is.
HR BNB 1979/311 [14] . Voorts is volgens hem gesteld noch gebleken dat belanghebbende schade heeft geleden. Nu geen sprake is van een bti, heeft de telefonische inlichting geen gewettigd vertrouwen kunnen wekken. Hij wijst op
Sony Supply Chain Solutions (Europe) [15] . REC-beslissing 09/2003 is naar zijn mening niet van belang omdat het in die zaak ging om een door toedoen van de douaneautoriteiten verloren gegaan bewijsstuk. Over het stilzitten van de douane meent de Staatssecretaris dat de omstandigheid dat conform het bepaalde in artikel 77 van Pro het CDW geen facturen bij de aangifte waren gevoegd niet aan de douane kan worden tegengeworpen. Het achterwege laten van een controle kan evenmin aan de douane worden tegengeworpen, nu tot medio 2011 geen risico’s werden onderkend bij de invoer van scheepscasco’s. De Staatssecretaris onderschrijft het oordeel van het Hof met betrekking tot de controle van een andere importeur (met dezelfde vertegenwoordiger). Hij verwijst in dit kader naar punt 6.6 van de conclusie van A-G Van Hilten bij
HR BNB 2014/213 [16] en naar
Sony Supply Chain Solutions (Europe). Tot slot voert de Staatssecretaris aan dat in de onderhavige zaak geen sprake is van samenhang tussen verschillende actieve gedragingen. Hij verwijst in dit kader wederom naar de conclusie van A-G Van Hilten bij
HR BNB 2014/213.
5.Indeling scheepscasco’s
Salutas Pharma [20] :
personen als van goederen:
Aanvullende aantekeningen (GN)
Salutas Pharma, waarin het HvJ overweegt (met mijn cursivering):
objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de tekst van de GN-post en in de aantekeningen bij de afdeling of het hoofdstuk zijn omschreven (zie arresten Sysmex Europa, C‑480/13, EU:C:2014:2097, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak; Vario Tek, C‑178/14, EU:C:2015:152, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Amazon EU, C‑58/14, EU:C:2015:385, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
inherent [24] is aan het product. Ik citeer uit
Duval [25] :
Sysmex Europe [27] :
B.A.S. Trucks [29] .De feiten in die zaak zijn wel heel sterk vergelijkbaar met die van de onderhavige zaak en dat is dan ook de reden dat ik hieronder een relatief lang citaat heb opgenomen. In dat arrest ging het om de indeling van een vrachtauto als zogenoemde ‘dumper’, oftewel: een kiepwagen. In geschil was of voor de indeling van een vrachtauto als dumper van belang is dat deze niet alleen geschikt is voor gebruik in het terrein, maar tevens voor gebruik over de (verharde) weg. Dit doet sterk denken aan de stelling van belanghebbende dat voor de indeling van de onderhavige schepen van belang is dat deze niet alleen geschikt zijn voor de binnenvaart, maar tevens voor gebruik in volle zee. Uit de bewoordingen van de postonderverdeling in
B.A.S. Trucksvolgt dat de ‘dumper’ moet zijn ontworpen voor gebruik in het terrein. Een dergelijke ‘ontwerp’-eis wordt ook gesteld in de wettelijk bepalende aanvullende aantekening 1 op hoofdstuk 89 voor de postonderverdeling die belanghebbende wenst ((
8901 90 10),zie punt 5.8 hiervóór). Indien de bestemming van een product van belang is bij de indeling en het product meerdere bestemmingen heeft of kan hebben, dient te worden vastgesteld voor welke bestemming het product primair is ontworpen, zo oordeelde het HvJ in
B.A.S. Trucks. Het HvJ overwoog in verband daarmee onder meer (met mijn cursivering):
Blijkens de bewoordingen ervan is GN-postonderverdeling 8704 10 een specifieke post voor voertuigen die voor een bijzonder gebruik zijn ontworpen, te weten het laden en lossen van materiaal in het terrein.De overige categorieën van automobielen voor goederenvervoer vallen onder algemene postonderverdelingen, die geen onderscheid maken op basis van het gebruik waarvoor die voertuigen zijn bestemd, maar aan de hand van de specifieke technische kenmerken ervan. Zoals advocaat-generaal Stix-Hackl in punt 33 van haar conclusie in de reeds aangehaalde zaak DFDS heeft benadrukt, vormt bijgevolg het bijzondere gebruik waarvoor dumpers zijn bestemd, het beslissende criterium voor indeling onder GN-postonderverdeling 8704 10.
die „speciaal zijn geconstrueerd voor het vervoer van zand, grind, aarde, gesteente, enz., in steengroeven en mijnen of op bouwplaatsen voor gebouwen, wegen, vliegvelden of havens”.
hoofdzakelijk bestemd zijn om over andere terreinen dan de verharde, openbare weg te rijden.
speciaal zijn ontworpen voor het vervoer en het lossen van materiaal in het terrein.
Uit de bewoordingen van GN-postonderverdeling 8704 10 en de GN en GS-toelichtingen blijkt evenwel niet dat die dumpers zodanig moeten zijn ontworpen dat zij uitsluitend kunnen worden gebruikt in het terrein.
Gelet op het voorgaande kan de omstandigheid dat een dumper zodanig is ontworpen dat hij niet alleen in het terrein kan rijden, maar ook over de verharde, openbare weg, op zich niet volstaan om de indeling van dat voertuig als dumper in de zin van GN-postonderverdeling 8704 10 uit te sluiten.
speciaal en primair is ontworpen om in het terrein te worden gebruikt, dan wel primair is ontworpen voor gebruik op de verharde, openbare weg.Daartoe moet aan de hand van alle kenmerken van het betrokken voertuig worden nagegaan of dit al dan niet de in de relevante GN en GS-toelichtingen genoemde wezenlijke kenmerken heeft.
B.A.S. Trucksis in de onderhavige zaak voor de indeling van de scheepscasco’s in de door belanghebbende aangegeven postonderverdeling van de GN wettelijk bepalend dat zij speciaal en primair moeten zijn ontworpen (en gebouwd) voor een specifiek terrein (de volle zee). [30] Ik meen dan ook dat de overwegingen van het HvJ uit
B.A.S. Truckseen-op-een kunnen worden toegepast in de onderhavige zaak. Niet doorslaggevend is dus dat de door belanghebbende ingevoerde scheepscasco’s zeewaardig zijn, maar of deze primair zijn ontworpen (en gebouwd) voor de vaart in volle zee.
6.Artikel 220, lid 2, aanhef en onderdeel b, van het CDW
Padovani [35] .
Mecanarte [37] als volgt gedefinieerd:
HR BNB 2014/213 [38] overweegt de Hoge Raad onder verwijzing naar de punten 30 tot en met 33 van
Agrover [39] en de aldaar genoemde rechtspraak van het HvJ, waaronder het hiervoor geciteerde
Mecanarte, het volgende:
Van Gend & Loos/Commissie [40] dat een belanghebbende geen gewettigd vertrouwen kan ontlenen aan het voorhands aanvaarden van een aangifte (punten 19 en 20 van het arrest). Voorts geldt op grond van artikel 199, lid 1, eerste gedachtestreepje, van de Uitvoeringsverordening van het CDW de indiening van een aangifte door de aangever of zijn vertegenwoordiger als het aanvaarden van de aansprakelijkheid overeenkomstig de geldende bepalingen voor de juistheid van de in de aangifte verstrekte gegevens. Zo overweegt het HvJ in
DP Grup [41] dat niet van douaneautoriteiten kan worden verlangd dat douaneaangiften stelselmatig worden geverifieerd. Voorts overweegt hij dat “Bij de aanvaarding van een douaneaangifte (…) deze autoriteiten geen standpunt in[nemen] over de juistheid van de door de aangever verstrekte informatie, waarvoor laatstgenoemde zelf verantwoordelijk is”.
Hewlett Packard [42] (met mijn cursivering):
indien dedouaneaangifte van de belastingschuldige alle voor de toepassing van de betrokken regeling vereiste feitelijke gegevens bevatte, zodat een latere controle waartoe de bevoegde instanties eventueel zouden overgaan, geen nieuwe gegevens aan het licht kan brengen.
de beschrijving van de goederen volgens de specificaties van de nomenclatuur bevatten, en wanneer gedurende een betrekkelijk lange periode een groter aantal importen heeft plaatsgevonden, zonder dat er met betrekking tot de tariefpost ooit bezwaar is gemaakt.
ofschoon een vergelijking van de aangegeven tariefpost met de uitdrukkelijke omschrijving van de goederen volgens de specificaties van de nomenclatuur de verkeerde tariefindeling aan het licht zou hebben gebracht.” [43]
Hewlett Packardheeft het Hof terecht geoordeeld dat van een vergissing als bedoeld in artikel 220, lid 2, aanhef en onderdeel b, van het CDW in zoverre geen sprake is. [44]
Mecanarteleid ik evenwel af dat het voor een beroep op artikel 220, lid 2, aanhef en onderdeel b, van het CDW (wel degelijk) moet gaan om inlichtingen die bindend zijn voor de autoriteiten. Ik citeer uit
Mecanarte(cursivering CE):
waaraan die autoriteiten gebonden zijn, dan vormen de bepalingen van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1697/79 echter wel een beletsel voor navordering van de rechten bij invoer en bij uitvoer.”
Beirafrio [45] . In dit arrest overweegt het HvJ over de gegevens die de autoriteiten binden (cursivering CE) als volgt: [46]
welke gegevens geacht moeten worden de bevoegde autoriteiten te binden, welke autoriteiten bevoegd zijn deze gegevens te verstrekken en in welke vorm zij moeten worden gegeven.
op basis van gegevens die de bevoegde autoriteiten zelf hebben verstrekt en laatstgenoemden binden.
Behn Verpackungsbedarf [47] doet hieraan niet af. Deze uitspraak – waarin het HvJ in de punten 22 tot en met 24 overweegt dat (alleen) concrete inlichtingen vertrouwen kunnen wekken – dateert uit 1990, dus van vóór
Beirafrioen ook vóór de introductie van de bti. Ook belanghebbendes beroep op REC 09/03 kan haar niet baten. De Commissie besliste in deze zaak onder meer dat de betreffende belanghebbende, hoewel aan haar geen bti was afgegeven, een gerechtvaardigd beroep kon doen op artikel 220, lid 2, aanhef en onderdeel b, van het CDW. De feiten in de zaak die ten grondslag ligt aan REC 09/03 lagen evenwel anders dan in de onderhavige zaak. Bij de belanghebbende in die zaak had een controle plaatsgevonden waarbij monsters waren genomen. De douaneautoriteiten hadden ondanks die controle de foutieve tariefindeling ten tijde van de controle niet gecorrigeerd. Uit REC 09/03 leid ik af dat de Commissie meent dat de betreffende belanghebbende hieraan het vertrouwen mocht ontlenen dat zij de juiste tariefindeling had toegepast (punten 20, 21 en 25). In de zaak die ten grondslag ligt aan REC 09/03 ging het dan ook niet zozeer om een door de douaneautoriteiten afgegeven (telefonische) indeling, maar om een controle waaraan de autoriteiten ten onrechte geen gevolgen hebben verbonden.
HR BNB 1979/311, is in de onderhavige zaak mijns inziens niet van toepassing. In die zaak ging het om het nationale vertrouwensbeginsel. Ik verwijs hier naar hetgeen ik heb opgemerkt in punt 6.3 van deze conclusie.
jegens belanghebbendeis en dat belanghebbende reeds om die reden geen vertrouwen aan die gedraging kan ontlenen. Mijns inziens is deze redengeving te algemeen geformuleerd en daarom onjuist. Uit de rechtspraak volgt dat er wel degelijk situaties denkbaar zijn waarbij actieve gedragingen jegens derden kunnen bijdragen aan een geslaagd beroep op artikel 220, lid 2, aanhef en onderdeel b, van het CDW. In
HR BNB 2015/147 [48] werd bijvoorbeeld rekening gehouden met een controle bij een andere aangever die in opdracht van een belanghebbende, maar op eigen naam en voor eigen rekening, een invoeraangifte had gedaan en waarbij de douane de op de aangifte vermelde postonderverdeling als juist had aanvaard. De betreffende belanghebbende had na de controle identieke goederen op eigen naam en voor eigen rekening aangegeven. De Hoge Raad oordeelde dat de omstandigheid dat de eerstbedoelde aangifte in opdracht van de betreffende belanghebbende is gedaan, meebrengt dat de uitslag van de controle van die aangifte mede van belang is voor de beoordeling of belanghebbende voor nadien zonder controle afgehandelde aangiften met vrucht een beroep kan doen op het bepaalde in artikel 220, lid 2, onderdeel b, van het CDW.
Beirafrio,moet bij deze tweede voorwaarde worden gelet op de aard van de vergissing, de beroepservaring van de betrokken marktdeelnemer en de mate van de door hem betrachte zorgvuldigheid. Zo op het eerste gezicht lijkt het mij niet mogelijk dat de uitslag van de controle van de aangifte die is gedaan op naam en rekening van [GGG] BV doorwerkt naar belanghebbende, omdat sprake is van een wel erg ver verwijderde betrekking tussen die andere aangever en belanghebbende. Indien deze omstandigheid in samenhang wordt bezien met het stilzitten van de douane en de telefonische inlichting, houd ik ‘doorwerking’ echter niet voor onmogelijk (zie punt 6.22), ware het niet dat het oordeel van het Hof dat geen sprake is van in rechte te beschermen vertrouwen in dit geval nog steunt op een andere pijler. Het Hof heeft namelijk aan zijn oordeel mede ten grondslag gelegd dat de douaneautoriteiten niet beschikten over “alle volledige en juiste (feitelijke) gegevens, benodigd voor een correcte toepassing van de desbetreffende indeling”. Gelet op het arrest
Hewlett Packardacht ik dat juist (zie de punten 6.10 en 6.11 hiervoor). Dit feitelijke oordeel is in mijn visie voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.
Sony Supply Chain Solutions (Europe). In dit arrest ging het om een bti die was afgegeven aan een rechtspersoon, waarop een andere – gelieerde – rechtspersoon een beroep deed. Voor een bti is in artikel 12, lid 2, van het CDW vastgelegd dat alleen degene aan wie de bti wordt afgegeven zich op die bti kan beroepen. Ik ga dan ook ervan uit dat het oordeel van het HvJ in deze zaak is gebaseerd op de tekst van voornoemd artikel en niet op een algemeen leerstuk omtrent het vertrouwen dat kan worden ontleend aan een gedraging van de autoriteiten jegens een andere belanghebbende. Ik meen dan ook dat dit arrest niet van toepassing is op de onderhavige zaak.
HR BNB 2014/213.
7.Recapitulatie
Conclusie