Conclusie
ABBOTT B.V.,
ABBOTT VASCULAR DEVICES HOLLAND B.V.,
ABBOTT LOGISTICS B.V.,
1.Inleiding
2.Feiten
A flexible expandable stent' (in de niet bestreden Nederlandse vertaling: '
Buigzame uitzetbare stent'). De verlening van het octrooi is gepubliceerd op 12 januari 2005; het is verleend voor Oostenrijk, België, Zwitserland, Duitsland, Denemarken, Spanje, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Liechtenstein, Luxemburg, Monaco, Nederland, Portugal en Zweden.
clarity.
A flexible expandable stent'. De genoemde conclusies luiden:
3.Procesverloop
4.Bespreking van het cassatiemiddel
niethet verschaffen van een stent die 'foreshortening' probeert tegen te gaan, maar het verschaffen van een stent die (uniform) flexibel is voor expansie, en met goede radiale stevigheid, uniforme vaatondersteuning en minimale krimp na expansie (ongeacht of de minimale krimp wordt verkregen door compensatie voor 'foreshortening' of doordat 'foreshortening' wordt voorkomen). Een dergelijke stent kan een patroon hebben van uit-fase
enin-fase eerste meanderpatronen en is niet beperkt tot stents met uit-fase eerste meanderpatronen. Zoals hiervoor is uitgelegd is het niet de fase relatie maar de wijze waarop de ringen zijn verbonden die bepaalt of compensatie voor 'foreshortening' nodig is. EP '902 beschermt zowel 'piek-tot-piek' (of dal-tot-dal') verbindingen als 'piek-tot-dal' verbindingen."
(iv) 'eerste meanderpatronen (11) die zich in een eerste richting uitstrekken 'en deelkenmerk (v)
' tweede meanderpatronen (12) die zich in een tweede richting uitstrekken, die verschilt van de eerste richting. '
subonderdeel 6.7is de slotzin van rov. 8.4 zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Omdat Medinol (in de MvG p. 33-34) heeft aangegeven wat zij in de Abbott stents beschouwt als tweede meanderpatronen in de zin van deelkenmerk (v), valt niet in zien waarom Medinol haar uitleg daarvan zou reduceren tot de genoemde verbindingen tussen de ringen, aldus het subonderdeel.
Iedere periodieke en herhalende structuur kan opgedeeld worden in verschillende herhalende gedeelten en de weergave van de Abbott stents kan – net als de stent die onder bescherming wordt gesteld door EP ‘902 – beschreven worden als of een eerste en tweede meanderpatroon of als eerste meanderpatronen die verbonden zijn door verbindingen met een lus.” Dit heeft Medinol ter plaatse geïllustreerd aan de hand van een op verschillende wijzen ingekleurde versie van figuur 2 van EP ‘902 respectievelijk van figuur 7 van EP ‘902.
subonderdeel 1.1is rov. 9.2 onbegrijpelijk. Het voert aan dat:
‘hetgeen voor de uitvinding waarvan de bescherming wordt ingeroepen, wezenlijk is’, onderscheidenlijk
‘de achter de woorden van die conclusies liggende uitvindingsgedachte’niet langer als uitgangspunt dient, doch als gezichtspunt, tegenover de letterlijke tekst van de conclusies (de ‘uitersten’ in de woorden van het Protocol). De feitenrechter die zich gesteld ziet voor de taak de beschermingsomvang van een octrooi vast te stellen door uitleg van de octrooiconclusies, dient bovenstaande maatstaf (met inbegrip van hetgeen in het arrest van 1995 overigens nog is overwogen) te hanteren. Die uitleg is in de regel overigens zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat deze in cassatie slechts in beperkte mate op juistheid kan worden onderzocht (vgl. HR 31 oktober 2003, nr. C02/227, NJ 2006, 600).”
subonderdelen 1.2 en 1.3, die het hof verwijten bepaalde gezichtspunten bij zijn uitleg van het octrooi niet te hebben verdisconteerd.
–waarmee kennelijk wordt bedoeld dat dit niet met zoveel woorden daarin staat − miskent de strekking van rov. 10.5. Anders dan in de s.t. nr. 3.1.16 wordt betoogd, is rov. 10.9 dan ook niet onbegrijpelijk in het licht van (de tekst van) bedoelde alinea’s. Evenmin kan uit rov. 10.9 worden afgeleid dat het hof alleen voor de bewoordingen van die beschrijving oog zou hebben gehad en a contrario geen oog zou hebben gehad voor het wezen van de uitvinding c.q. de uitvindingsgedachte.
subonderdeel 1.5faalt.
in plaats vannaar de conclusies, gelezen in de context van de beschrijvingen en tekeningen, heeft gekeken naar de stand van de techniek. Dat is echter niet het geval. In zoverre mist het subonderdeel dus feitelijke grondslag.
beperkt(wel eventueel verruimd) aan de hand van de beschrijvingen en tekeningen. In de repliek wordt door Medinol aangevoerd dat beschrijvingen (van een uitvoeringsvoorbeeld), tekeningen, verwijzingen naar de stand van de techniek en de beschermingsomvang van het (groot)moederoctrooi weliswaar een rol kunnen spelen bij de
uitlegvan een octrooi, maar dat de
omvangvan de bescherming wordt bepaald door de tekst van de conclusies. Mocht die omvang te ruim zijn geformuleerd, dan is men aangewezen op een nietigheidsactie (schriftelijke repliek nrs. 1.1-1.3). Medinol ziet in dit betoog
de kern van het cassatieberoep.
letterlijkeuitleg van de conclusies zou mogen worden bepaald wat er in de conclusie ‘staat’. [13]
subonderdeel 2.2heeft het hof in rov. 10.4 en 10.5 miskend (i) dat de beschrijving in het octrooi geen volledig overzicht hoeft te geven van de stand der techniek, (ii) dat die stand der techniek niet (zonder meer) kan worden gebruikt om de beschermingsomvang te beperken en (iii) dat vermelding van bepaalde ‘background’ niet betekent dat het octrooi daarop voortbouwt.
subonderdeel 2.3mist feitelijke grondslag, omdat het hof in rov. 10.6 (slot) niet als uitgangspunt heeft genomen dat de inbreuk (met name) moet worden beoordeeld aan de hand van voorkeursuitvoeringen. Het hof is in rov. 10.6 (slot) en 10.7 nagegaan hoe het met het octrooi beoogde effect wordt bereikt in de beschreven uitvoeringsvormen, maar het hof heeft meer factoren in overweging genomen.
subonderdeel 2.6getuigt (naar ik begrijp: de redenering in rov. 10.7 t/m 10.9) van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof heeft geoordeeld dat de conclusies van EP ‘902 en EP ‘449 niet ruimer mogen zijn dan het ((groot)moeder)octrooi waarvan deze zijn afgesplitst.
Subonderdeel 3.1klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting (i) door de beschermingsomvang van conclusie 1 te beperken tot de in het octrooi beschreven voordelen van die conclusie ten opzichte van de in het octrooi beschreven stand van de techniek en (ii) voor zover het heeft aangenomen dat de meest nabije stand van de techniek (Lau) in het octrooi had moeten worden genoemd en het overzicht van de stand der techniek volledig dient te zijn.
subonderdeel 3.2op dat uitgangspunt is gebaseerd, is het gebaseerd op een onjuiste lezing van het arrest.
In accordance with one embodiment of the present invention, the first meander patterns are formed into even and odd first meander patterns. The even and odd first meander patterns can be 180º out of phase with each other and the odd patterns can occur between every two even patterns.”
Subonderdeel 4.1klaagt dat die overweging onbegrijpelijk is, indien het hof daarin tot uitdrukking heeft willen brengen dat Medinol met de wijziging van alinea [0009] heeft getracht in de loop van de verleningsgeschiedenis de aanvankelijke bescherming te verruimen.
are 180’ out of phase’); de formulering van conclusie 1 van de oorspronkelijke aanvrage (idem); de overeenstemming met de geopenbaarde technische materie van die grootmoederaanvrage en de onderhavige ‘tweede generatie’-afsplitsing EP ‘902. Deze redenering is m.i. niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
subonderdeel 5.1 (eerste alinea)heeft het hof miskend dat voor de beoordeling van de nieuwheid en de inventiviteit van de uitvinding weliswaar (in gevallen als de onderhavige) de prioriteitsdatum bepalend is, maar dat dit niet geldt voor de beantwoording van de vraag wat de vakman uit het octrooi zal begrijpen. Daarvoor is de kennis van de vakman op de datum van de inbreuk, althans op de eerste verleningsdatum van het octrooi maatgevend, aldus Medinol. Het subonderdeel verbreedt deze klacht in
tweede alineanaar het onder (ii) bedoelde punt van de literatuur indien deze overweging zo moet worden begrepen dat de verwijzing naar de literatuur ziet op tot de algemene stand van de techniek behorende literatuur op de genoemde prioriteitsdatum.
subonderdeel 5.2heeft het hof miskend dat Medinol naast het noemen van de in rov. 15.1 genoemde voorbeelden van stents geen tot de algemene stand der techniek behorende literatuur behoefde te noemen om haar stelling te onderbouwen. De door Medinol bedoelde soorten stents (waarvan door Medinol voorbeelden zijn genoemd) zullen immers aan de vakman bekend zijn (op het moment van de inbreuk, althans op de eerste verleningsdatum van het octrooi). Daarom is ook onbegrijpelijk waarom het hof dit overweegt.
subonderdeel 5.1 (eerste alinea)wijs ik op de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 2 november 2001 (BT/KPN). [16] Uw Raad is in dat arrest aan een beantwoording van de vraag naar de relevante peildatum niet toegekomen. [17]
subonderdeel 5.1 (tweede alinea), die daarvan wel uitgaat, faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.
subonderdeel 5.2. De klacht poneert dat de door Medinol bedoelde soorten stents (waarvan de door Medinol genoemde de V-flex-, Radius- en Jang-stent voorbeelden zijn) aan de vakman bekend zullen zijn. De overweging van het hof biedt daarvoor echter geen feitelijke grondslag. Uit de negatieve toetsen ten aanzien van de openbaarmaking op de prioriteitsdatum en ten aanzien van de tot de algemene stand van de techniek behorende literatuur, kan immers niet positief worden afgeleid, dat de vakman bekend zal zijn met de door Medinol bedoelde soorten stents. Het oordeel van het hof houdt veeleer in dat nu op het in rov. 15.2 bedoelde punt ten aanzien van de tot algemene stand van de techniek behorende literatuur niets is aangedragen, niet aangenomen kan worden dat de betreffende informatie behoort tot de algemene stand van de techniek waarmee de gemiddelde vakman het octrooi zal lezen.
subonderdeel 5.1. Hoewel dus niet gezegd kan worden dat het hof zich heeft beperkt tot de kennis en inzichten van de gemiddelde vakman ten tijde van de eerste prioriteitsaanvrage, zou de klacht zó gelezen kunnen worden dat het hof helemaal geen acht had mogen slaan op de op die datum (28 juli 1994) bestaande kennis en inzichten (ontleend aan enigerlei openbaarmaking van de bedoelde stents op dat moment of aan de op dat moment bestaande literatuur).
Subonderdeel 6.1voert aan dat aan kenmerk (iv) en kenmerk (viii) (en naar ik begrijp: alle overige deelkenmerken) van conclusie 1 is voldaan, zodat sprake is van letterlijke inbreuk. Het hof heeft volgens het subonderdeel miskend dat in dergelijke gevallen een beoordeling van equivalentie niet aan de orde is.
subonderdeel 6.3wordt betoogd dat het hof in rov. 8.4 met de overweging dat Medinol in feite deelkenmerk (v) reduceert tot de genoemde verbindingen tussen de ringen, het in rov. 8.3 weergegeven betoog van Abbott heeft verworpen nu “volgens het hof klaarblijkelijk uit een van de deelkenmerken van het octrooi het door Medinol gestelde af te leiden zou zijn, zij het in een beperkte lezing van de conclusie van octrooi EP ‘902.”
subonderdeel 7.3is sprake van tegenstijdigheid omdat het hof enerzijds heeft geoordeeld dat verbeterde ‘scaffolding’ geen onderwerp is van het octrooi, maar vervolgens wel oordeelt dat de ‘scaffolding’ die wordt bereikt door de stents die conform het octrooi zijn, onlosmakelijk is verbonden aan de (180’) uit-fase eerste meanderpatronen en de daartussen aangebrachte piek-tot-piek verbindingen elk in de vorm van een enkele bocht.
subonderdeel 8.1faalt, omdat zij is gebaseerd op een onjuiste lezing van het arrest. De opmerking van het hof – “Ook als de opvatting van Medinol wordt gevolgd (…)” – moet kennelijk alleen betrokken worden op de opvatting van Medinol, dat de vakman de term ‘formed of a flat metal tube’ “zal opvatten (…) als betrekking hebbende op het gerede voortbrengsel”. Het hof doelt niet ook op de door Medinol daaraan verbonden conclusie dat dit is “een ‘buisvormige stent (van metaal)’, zodat mede wordt omvat een stent vervaardigd uit een geëxtrudeerde metalen buis.”
subonderdelen 8.2 en 8.3falen, omdat het hof in het partijdebat kennelijk en niet onbegrijpelijk geen aanknopingspunten heeft gevonden voor het onderzoek naar een equivalente inbreuk waarop de klachten doelen.
Onderdeel 9bevat een voortbouwende klacht, die het lot van de voorgaande onderdelen volgt.
Onderdeel 10richt zich tegen de behandeling van grief 11 in rov. 21. Met grief 11 (MvG nr. 7.75) klaagde Medinol dat de rechtbank ten onrechte in rov. 4.12 en 4.16 overweegt dat Medinol als de in het ongelijk gestelde partij in de volledige proceskosten moet worden veroordeeld en dat de rechtbank ten onrechte de door Abbott gevorderde vergoeding van de proceskosten niet heeft gematigd. Medinol heeft daartoe in de toelichting in de MvG nrs. 7.76-7.78 aangevoerd dat (a) de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat geen sprake was van inbreuk; (b) de rechtbank niet aan behandeling van de voorwaardelijke reconventionele vordering toe hoefde te komen, wat volgens Medinol betekent dat ieder in zoverre de eigen kosten dient te dragen; (c) de kosten excessief en (d) niet voldoende gespecificeerd waren. De door mij als zodanig aangeduide punten (a), (c) en (d) zagen op de hele proceskostenvordering van Abbott en punt (b) specifiek op de reconventionele vordering.
voorwaardelijkevordering niet voor vergoeding op de voet van art. 1019h Rv in aanmerking komen; [20] temeer daar
vorderingtot (iii)
nietigverklaringniet vallen onder de Handhavingsrichtlijn en dus ook niet onder art. 1019h Rv. [21]