De zaak betreft een octrooizaak tussen Boston Scientific en OrbusNeich over vermeende inbreuk op het Keith-octrooi. De rechtbank wees de provisionele vorderingen van Boston Scientific af en hield de beslissing over de proceskosten van het incident aan tot de hoofdzaak. Het hof vernietigde dat deel en veroordeelde Boston Scientific in de proceskosten van het incident.
Boston Scientific stelde cassatie in tegen het arrest van het hof, met name tegen de hoogte en toerekening van de proceskosten die het hof had vastgesteld. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom een zesde deel van de totale proceskosten aan het verweer tegen de provisionele eis werd toegerekend, terwijl slechts een beperkt deel van de gedingstukken daaraan was gewijd.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor nadere beoordeling van de toerekening van de proceskosten. Tevens wees de Hoge Raad de proceskosten van het cassatiegeding toe aan Boston Scientific.