ECLI:NL:PHR:2014:1532

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 mei 2014
Publicatiedatum
27 augustus 2014
Zaaknummer
13/03193
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 511e SvArt. 511f SvArt. 511g SvArt. 359 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontbreken bewijsmiddelen bij profijtontneming

Het Gerechtshof Den Haag bevestigde het vonnis van de Rechtbank Dordrecht waarin betrokkene werd verplicht tot betaling van €1.560 aan de staat als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Namens betrokkene werd cassatie ingesteld met het middel dat het hof nagelaten had de inhoud van de bewijsmiddelen te vermelden waarop de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel was gebaseerd.

De Hoge Raad stelt voorop dat op grond van artikel 511f Sv de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel slechts aan wettige bewijsmiddelen mag worden ontleend en dat de uitspraak de bewijsmiddelen en hun inhoud moet vermelden, voor zover deze de schatting rechtvaardigen. In deze zaak is gebleken dat de aanvulling met de bewijsmiddelen in het ongerede is geraakt en niet meer beschikbaar is.

Hoewel dit een motiveringsgebrek oplevert, leidt dit niet tot ambtshalve vernietiging door de Hoge Raad. De conclusie is dat het middel slaagt en de zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.

De conclusie bevat tevens een verwijzing naar eerdere jurisprudentie die de motiveringsvereisten bij ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel verduidelijkt.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens ontbreken van bewijsmiddelen bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Conclusie

Nr. 13/03193 P
Zitting: 20 mei 2014
Mr. Hofstee
Conclusie inzake:
[betrokkene]
1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 21 mei 2013 onder aanvulling van gronden het vonnis bevestigd van de Rechtbank Dordrecht van 5 januari 2012, waarbij de betrokkene de verplichting is opgelegd tot betaling van € 1.560,00 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Namens verzoeker heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof heeft nagelaten de inhoud van de bewijsmiddelen weer te geven waaraan het de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend.
4. Alvorens het middel te bespreken, stel ik het volgende voorop. Krachtens art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 511g, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden. [1]
5. Het, door het Hof bevestigde, vonnis van de Rechtbank houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“ 4. Wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank is van oordeel dat op grond van het onder voormeld parketnummer aangelegde ontnemingsdossier alsmede op grond van het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat veroordeelde door middel van of uit de baten van een van de feiten waarvoor hij is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De rechtbank ontleent de schatting van dit voordeel aan de inhoud van de bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van de beslissing met de bewijsmiddelen vereist in een aan deze beslissing gehechte bijlage worden opgenomen.”
6. Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet - voordat hij in een middel over die onvolledigheid wenst te klagen - ingevolge art IV, derde lid, van het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2013 (Stcrt. 36474) binnen de in art. 437, tweede lid, Sv, genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer.
7. Op 3 september 2013 heeft mr. Nan zich per faxbericht gewend tot de rolraadsheer van de Hoge Raad der Nederlanden met het verzoek om aanvulling van de processtukken, omdat hij de voormelde aanvulling van de bewijsmiddelen, waaraan de Rechtbank de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend, niet heeft aangetroffen in het procesdossier. Hierop is namens de griffier van de Hoge Raad het Hof verzocht dit stuk aan de Hoge Raad te doen toekomen. Blijkens het schrijven van de senior gerechtssecretaris van het Hof d.d. 18 september 2013 is de verzochte bijlage als bedoeld in het vonnis van de Rechtbank in het ongerede geraakt.
8. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden uitspraak niet aan het hierboven onder 4 genoemde vereiste voldoet en in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.
9. Het middel slaagt.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie onder meer HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8125, NJ 2006/165, HR 28 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5629, NJ 2008/96, HR 14 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BU4206, HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013/544 en HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:895.