Conclusie
eerste middelklaagt over de verwerping van het verweer dat er onvoldoende verdenking van overtreding van de Opiumwet was om de woning binnen te treden en dat daarom het aldaar aangetroffen bewijs onrechtmatig is verkregen.
tweede middelkeert zich tegen de verwerping van het verweer dat verdachte de hennepplanten niet opzettelijk aanwezig heeft gehad, omdat de hennep zich niet binnen de machtssfeer van verdachte bevond.
(…)
Het hof merkt op dat in de badkamer - die bij de verdachte in gebruik was - acht voorschakelapparaten, een ventilator en een jerrycan met plantenvoeding zijn aangetroffen.
Wat er zij van de juistheid van de verklaring van de verdachte dat hij van ene [betrokkene 1], van wie verder geen gegevens bekend zijn geworden, uit louter naastenliefde onderdak in de woning had gekregen, het hof waardeert tegen de achtergrond van verdachtes eerdere bemoeienis met hennep, en mede gelet op de hiervoor vermelde in redelijkheid niet te negeren aanwijzingen die op hennepkweek duiden (het zwarte zeil, de zilverkleurige buizen en de voorschakelapparatuur, de ventilator en de plantenvoeding in de badkamer), de verklaring van de verdachte (zoals hiervoor op onderdelen weergegeven) aldus dat hij minstgenomen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van hennepplanten in het bestek van een kwekerij. Het hof leidt daaruit af dat de verdachte, die als enige in de woning verblijf hield, de in de woning aangetroffen hennepplanten opzettelijk aanwezig heeft gehad.