Conclusie
“medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, vierde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, meermalen gepleegd”veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof beslist ten aanzien van het beslag, een en ander op de wijze vermeld in het arrest.
eerste middelklaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat het vonnis waarvan beroep en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nietig zijn, omdat de rechtbank Den Haag zich ten onrechte bevoegd heeft geacht kennis te nemen van de onderhavige zaak.
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat [betrokkene 3] binnen aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord als getuige.
derde en het vierde middelklagen over de afwijzing door het hof van het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen en dat het hof een in verband daarmee uitdrukkelijk gevoerd verweer onbesproken heeft gelaten.
vijfde middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten met welk doel de bewezenverklaarde invoer heeft plaatsgevonden.
zesde middelklaagt dat het hof ten onrechte en op onbegrijpelijke wijze bewezen heeft verklaard dat door de verdachte hoeveelheden “Primobolan Depot” en “Winstrol Depot” zijn ingevoerd in Nederland.
zevende middelklaagt over de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte.
achtste middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.