Het Gerecht heeft op 25 augustus 2011 en 27 oktober 2011 de door Hyatt voorgebrachte getuigen gehoord, waarna Hyatt een conclusie na enquête heeft genomen en [verzoeker] een conclusie van antwoord na enquête.
Het Gerecht in eerste Aanleg is vervolgens bij eindbeschikking van 20 maart 2012 tot de slotsom gekomen dat Hyatt niet erin is geslaagd om de stellingen zoals die concreet in de bewijsopdracht waren omschreven, te bewijzen. Daartoe overwoog het Gerecht als volgt in de rov. 2.2.1 t/m 2.2.5.
Drie van de door Hyatt voorgebrachte getuigen hebben verklaard dat zij niet in het restaurant aanwezig waren toen het incident zich heeft afgespeeld. Een vierde getuige heeft het incident evenmin waargenomen. (rov. 2.2.2 en 2.2.3)
Getuige [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij op het moment van het incident werkzaam was in het backstation en dat hij opeens zag dat [betrokkene 1] op de grond lag. Toen hij [betrokkene 1] op de grond zag liggen, zag hij ook [verzoeker] staan. Voorts heeft hij verklaard dat hij niet heeft gezien dat [verzoeker] [betrokkene 1] schopte. Wel herinnerde hij zich dat hij tegen [verzoeker] iets heeft geroepen in de trant van “hey, bon o por hasi e coi pendew ey”. Kennelijk dacht hij op dat moment, zo verklaart hij zijn uitroep zelf, dat [verzoeker] [betrokkene 1] wilde schoppen. Hij kon echter niet meer verklaren waarom hij dat dacht. Uit de aldus afgelegde verklaring van [betrokkene 2] volgt dat hij niet heeft gezien wie er met het handgemeen is begonnen en dat hij niet heeft gezien dat [verzoeker] [betrokkene 1] zou hebben geschopt toen zij op de grond lag. Uit de verklaring van [betrokkene 2] volgt niet dat hij heeft gezien dat [verzoeker] tijdens het handgemeen [betrokkene 1] een vuistslag in haar gezicht heeft gegeven en dat zij hierdoor op de grond viel. (rov. 2.2.4)
Dan resteert nog de verklaring van [betrokkene 1] zelf. Zij verklaart als getuige dat [verzoeker] haar onverwacht een vuistslag op de neus gaf, waardoor zij viel en dat zij, terwijl zij op de grond lag, zag dat [verzoeker] haar nog een schop wilde geven maar dat [betrokkene 2] dat heeft verhinderd door naar [verzoeker] te roepen. Deze verklaring strookt niet met de stellingen van Hyatt die zijn gebaseerd op een door [betrokkene 1] tegenover haar afgelegde verklaring en die inhield dat [verzoeker] [betrokkene 1] na de val nog had geschopt. Volgens rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof is de verklaring van deze getuige daarom onbetrouwbaar en kan zij niet voor het bewijs worden gebruikt. (rov. 2.2.5)
Vervolgens overwoog het Gerecht, nadat het aldus tot de slotsom was gekomen dat Hyatt niet in het haar opgedragen bewijs was geslaagd, in rov. 2.4 en 2.5:
“2.4 De stelling van Hyatt dat in deze procedure in ieder geval is komen vast te staan dat [verzoeker] voornemens was om [betrokkene 1] te schoppen toen zij op de grond lag en dat dat enkele voornemen, mede gezien in samenhang met de inhoud van de ontslagbrief van [verzoeker], een dringende reden oplevert voor ontslag op staande voet, wordt verworpen. Niet is komen vast te staan dat [verzoeker] het handgemeen met [betrokkene 1] is begonnen. Derhalve is niet uitgesloten, zoals [verzoeker] in deze procedure heeft gesteld, dat [betrokkene 1] het handgemeen is begonnen en dat hij ter afwering van [betrokkene 1] haar een duw heeft gegeven, waardoor [betrokkene 1] op de grond viel. Indien [verzoeker] onder die omstandigheden voornemens was om [betrokkene 1] nog een schop te geven (zoals [betrokkene 2] heeft verklaard), dan is dat enkele voornemen, waarvan [verzoeker] zich blijkens die getuigenverklaring van [betrokkene 2] heeft laten weerhouden door een verbale interventie van [betrokkene 2], onvoldoende om een dringende reden op te leveren voor een ontslag op staande voet.
2.5Ook de stelling van Hyatt dat op grond van de getuigenverklaringen vast is komen te staan dat [betrokkene 1] door het incident een bloedneus had opgelopen en dus dat [verzoeker] [betrokkene 1] een vuistslag heft gegeven in het gezicht en dat daarmee derhalve tevens is komen vast te staan dat er dringende redenen was voor een ontslag op staande voet, wordt verworpen. De enkele omstandigheid dat door getuigen is verklaard dat zij na het incident zagen dat [betrokkene 1] een bloedneus had, levert nog geen bewijs op van de stelling van Hyatt dat [verzoeker] [betrokkene 1] een vuistslag in het gezicht heeft gegeven. Het is een feit van algemene bekendheid dat een bloedneus ook op andere wijzen kan ontstaan dan door een vuistslag in het gezicht (bijvoorbeeld door de val op de vloer). Daar komt bij dat, indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de bloedneus is veroorzaakt doordat [verzoeker] [betrokkene 1] van zich afduwde, daarmee nog niet vaststaat dat [verzoeker] het handgemeen is begonnen, zoals Hyatt stelt. Voor zover Hyatt heeft willen stellen dat het veroorzaken door [verzoeker] van een bloedneus bij [betrokkene 1] zonder meer een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert, ook indien hij handelde ter afwering van een agressieve benadering door [betrokkene 1], kan dat betoog niet worden gevolgd. In het laatste geval zal het gedrag van [verzoeker] slechts een dringende reden opleveren voor ontslag op staande voet, indien zou blijken dat [verzoeker] op een excessieve wijze had gereageerd op het handelen van [betrokkene 1]. Dat is door Hyatt echter niet gesteld en het is door Hyatt ook niet aan het ontslag ten grondslag gelegd.”
Het Gerecht overwoog in rov. 2.6 dat de slotsom is dat Hyatt het op 27 oktober 2010 aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet nietig is, en dat de primaire vordering om het ontslag nietig te verklaren zal worden toegewezen, evenals de primaire vordering tot doorbetaling van loon, te vermeerderen met rente.
Ten slotte heeft het Gerecht het door Hyatt aan [verzoeker] verleende ontslag op staande voet nietig verklaard en heeft het Hyatt veroordeeld om aan [verzoeker] het sedert 27 oktober 2010 verschuldigde loon door te betalen tot de arbeidsovereenkomst op een rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd, welk loon dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging krachtens art. 7A:1614q BW.