"
Op te leggen straffen
De rechtbank heeft verdachte voor poging tot doodslag veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaar, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, 90 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte een gevangenisstraf van 6 maanden zal opleggen, met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft met betrekking tot een op te leggen straf niets naar voren gebracht.
Het hof overweegt als volgt.
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Het hof heeft wat betreft de op te leggen straf aansluiting gezocht bij de straffen die door dit gerechtshof in min of meer vergelijkbare gevallen gebruikelijk worden opgelegd. Op grond daarvan kan in geval van poging tot doodslag een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als passend worden beschouwd. Het bewezen verklaarde feit heeft een ernstig gewelddadig karakter. Verdachte heeft het slachtoffer met kracht met een breekijzer op het hoofd geslagen, hetgeen heel anders had kunnen aflopen. Verdachtes handelen betekent een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het hof neemt de verdachte het plegen van dit feit dan ook ernstig kwalijk, te meer omdat verdachte de indruk heeft gewekt slechts mondjesmaat het laakbare van zijn handelen in te zien (de vraag van het hof ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 november 2012 of hij in een gelijke situatie hetzelfde zou handelen, heeft de verdachte bevestigend beantwoord) en vooral zichzelf als slachtoffer te beschouwen. Het hof kan zich dan ook in beginsel vinden in een straf zoals door de advocaat-generaal gevorderd.
Anderzijds heeft het hof oog voor de bestaande conflictsituatie tussen verdachte en de vereniging van eigenaren en de verhoudingen, in het bijzonder die tussen verdachte en het slachtoffer, waarbinnen de gebeurtenissen zich hebben afgespeeld en waarbij naar het oordeel van het hof ook de vereniging van eigenaren een verwijt valt te maken. Daarnaast is verdachte vervolgens ook zelf geslagen met het breekijzer en is hij tegen het lichaam geschopt. Het hof begrijpt dat het gebeurde ook voor verdachte op emotioneel vlak grote persoonlijke gevolgen heeft gehad en zal blijven hebben.
Bij de straftoemeting heeft het hof ten slotte ook rekening gehouden met het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte d.d. 17 oktober 2012, waaruit volgt dat verdachte zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten, alsmede met het gegeven dat sedert het plegen van het feit geruime tijd is verstreken.
Alles overziende acht het hof het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend en geboden. Het hof zal de verdachte daarentegen een werkstraf op leggen met daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het hof er van uit gaat dat de reclassering rekening zal houden met de leeftijd en de lichamelijke beperkingen van verdachte. Gesteld, noch gebleken is dat de verdachte in het geheel geen arbeid zal kunnen verrichten.
Met oplegging van een deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Ten slotte houdt het hof rekening met het volgende. Verdachte heeft op 29 september 2009 beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van dit hof d.d. 22 september 2009. De stukken van het geding zijn eerst op 25 juni 2010 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De inzendtermijn van acht maanden is derhalve met bijna een maand overschreven, hetgeen in de onderhavige zaak tot strafvermindering dient te leiden. Voorts houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de verdachte, uitgaande van de datum van het vonnis van de rechtbank, in beginsel mocht rekenen op een definitieve uitspraak in hoger beroep in
februari 2011, doch dat deze eerst volgt in december 2012.
Het hof acht voor het bewezen verklaarde feit een werkstraf voor de duur van 180 uur, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis, passend, doch het hof zal in verband met de hiervoor geconstateerde schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, slechts de in de beslissing te noemen straf opleggen."