ECLI:NL:PHR:2014:1710

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juli 2014
Publicatiedatum
8 september 2014
Zaaknummer
14/02630
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 3:45 AwbArt. 230 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens termijnoverschrijding in WSNP-procedure

Verzoeker heeft een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) ingediend, dat door de rechtbank Midden-Nederland op 18 februari 2014 niet-ontvankelijk werd verklaard. Vervolgens werd verzoeker op 25 maart 2014 failliet verklaard. Verzoeker kwam in hoger beroep tegen beide vonnissen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en verzocht om vernietiging van deze vonnissen en alsnog toelating tot WSNP.

Het hof verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen het vonnis van 18 februari 2014 wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbare reden. Verzoeker stelde in cassatie dat het hof ten onrechte de termijnoverschrijding niet verschoonbaar achtte, mede omdat in het vonnis geen rechtsmiddelenclausule was opgenomen en verzoeker geen rechtsbijstand had in eerste aanleg.

De Hoge Raad oordeelt dat anders dan in het bestuursrecht geen verplichting bestaat tot opname van een rechtsmiddelenclausule in civiele vonnissen en dat het ontbreken daarvan de beroepstermijn niet kan opschorten. Ook het ontbreken van rechtsbijstand rechtvaardigt geen versoepeling van de strikte termijn. Verzoeker wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep op grond van artikel 80a RO.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Conclusie

Zaaknr. 14/02630
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 11 juli 2014
Conclusie (art. 80a) inzake:
[verzoeker]
1. Ter afwending van een tegen hem op 11 december 2013 door Europe ’92 Uitzendbureau B.V. (hierna: Europe ’92) ingediend faillissementsrekest, heeft verzoeker tot cassatie, [verzoeker], een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 18 februari 2014 is [verzoeker] in dat verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
Vervolgens is [verzoeker] bij vonnis van die rechtbank van 25 maart 2014 in staat van faillissement verklaard.
2. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 1 april 2014, is [verzoeker] van beide vonnissen in hoger beroep gekomen, en heeft hij verzocht deze vonnissen te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Nadat het hof [verzoeker] ter mondelinge behandeling op 6 mei 2014, na een korte schorsing voor beraad, heeft medegedeeld dat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep van het vonnis van 18 februari 2014, heeft [verzoeker] het hoger beroep van het vonnis van 25 maart 2014 ingetrokken [1] .
Vervolgens heeft het hof [verzoeker] bij arrest van 13 mei 2014 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep van het vonnis van 18 februari 2014, en heeft het hof het verzoek tot vernietiging van het vonnis van 25 maart 2014 afgewezen.
3. [verzoeker] heeft tegen dit arrest tijdig [2] beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatiemiddel richt zich tegen rechtsoverweging 3.7 [3] , waarin het hof heeft geoordeeld dat in dit geval niet is gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding en dat [verzoeker] daarom niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep van het vonnis van 18 februari 2014.
4. In cassatie wordt – terecht – niet geklaagd over de vooropstelling van het hof dat in het belang van een goede rechtspleging, omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie aanvangt (en eindigt), duidelijkheid dient te bestaan en dat aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden en voorts dat een termijnoverschrijding bij uitzondering mogelijk is in geval een zogeheten apparaatsfout.
5. Het cassatiemiddel klaagt uitsluitend dat, nu in het vonnis van 18 februari 2014 [4] geen rechtsmiddelenclausule wordt genoemd en [verzoeker] in de procedure in eerste aanleg geen rechtsbijstand heeft gehad, het niet tijdig instellen van hoger beroep niet aan [verzoeker] mag worden aangerekend en dat in zoverre sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het middel verwijst in dat verband naar de in het bestuursrecht bestaande verplichting om bij besluiten waartegen bezwaar of beroep kan worden ingesteld een rechtsmiddelenclausule op te nemen (zie art. 3:45 Awb Pro), en betoogt dat een dergelijke verplichting ook dient te gelden in het civiele recht.
6. Het middel rechtvaardigt geen behandeling in cassatie, omdat het klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden. Daartoe geldt het volgende.
Anders dan in het bestuursrecht schrijft de wet niet voor dat in een civiele uitspraak een rechtsmiddelenclausule wordt opgenomen [5] . Het gaat dan de rechtsvormende taak van het hof en de Hoge Raad te buiten om desondanks een dergelijke verplichting aan de rechter in eerste aanleg op te leggen. Daarnaast is het feit dat in bepaalde zaken geen verplichte rechtsbijstand geldt, geen reden om niet strikt de hand te houden aan beroepstermijnen. Terzijde wijs ik er op dat wanneer een rechtsmiddelenclausule – ondanks het ontbreken van een verplichting daartoe – toch in een civiele uitspraak wordt opgenomen, de eventuele onjuistheid daarvan de wettelijke regeling omtrent de beroepstermijn niet opzij kan zetten [6] .
7. Verzoeker dient op grond van het voorgaande met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie rov. 2.4 van het thans bestreden arrest van 13 mei 2014.
2.Het verzoekschrift tot cassatie is op 20 mei 2014 (per fax) ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.
3.Het gaat hier om de eerste rov. 3.7 (het arrest bevat per abuis twee rechtsoverwegingen 3.7).
4.In cassatie is slechts een kopie van een gedeelte van het vonnis van 18 februari 2014 (productie 1 bij het verzoekschrift in hoger beroep) overgelegd.
5.Zie art. 230 Rv Pro. Een dergelijke verplichting valt ook niet af te leiden uit het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken.
6.Zie HR 4 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2164 (NJ 1997, 63), rov. 3.3 en HR 26 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2441 (NJ 1998, 7), rov. 3.3. Hetzelfde geldt voor onjuiste (telefonische) mededelingen omtrent de beroepstermijn door de griffie van een gerecht. Zie HR 5 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2870 (NJ 1999, 645, m.nt. P.A. Stein), rov. 3.5. Zie ook A-G Langemeijer onder 2.5 van zijn conclusie vóór HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8175 (RvdW 2007, 402).