Conclusie
[B] C.V. [1] heeft aan de Raad voor Werk en Inkomen een brief, facturen en formulieren overgelegd die betrekking hebben op kosten voor een opleiding tot ‘Beveiliger 2’. De kosten voor de opleiding zijn vergoed in het kader van een subsidieregeling, de Stimuleringsregeling Vacaturevervulling Werklozen en met werkloosheid bedreigde Werknemers (SVWW). Volgens de overgelegde facturen zouden 120 personen die opleiding hebben gevolgd en zou [B] C.V. daarvoor kosten hebben gemaakt. Een viertal facturen suggereert dat de opleiding zelf door [B] C.V. is uitbesteed aan en verzorgd door [A] v.o.f. [2] In werkelijkheid is in de periode waarop de formulieren betrekking hebben, geen opleiding gegeven door of namens een van beide vennootschappen aan de 120 personen en zijn in dat verband door geen van beide vennootschappen kosten gemaakt.
eerste middelklaagt dat het hof in strijd met art. 301, vierde lid, Sv een verklaring van een medeverdachte voor het bewijs heeft gebruikt. De onder bewijsmiddel 63 gebruikte verklaring van [medeverdachte 1] zou niet ter terechtzitting zijn voorgelezen terwijl evenmin de korte inhoud ervan door de voorzitter is medegedeeld.
derde middeldat klaagt dat het hof heeft verzuimd het wettig bewijsmiddel aan te wijzen waaraan het een redengevende verklaring van [medeverdachte 1] heeft ontleend.
tweede middelklaagt dat het hof niet althans onvoldoende heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte altijd in de veronderstelling is geweest dat de opleiding Beveiliger 2 is gegeven door [A] v.o.f.
vierde middelklaagt dat het hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd bewezen heeft verklaard dat de brief van 2 juni 2006 een vals geschrift is omdat uit het arrest niet kan blijken dat het geschrift kan worden geacht tot het bewijs van enig feit te dienen.
vijfde middelklaagt over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Met een beroep op de in het bestuursrecht bestaande mogelijkheden om een eenmaal verleende subsidie terug te vorderen wordt in het middel betoogd dat de benadeelde partij al via de bestuursrechter de geleden schade probeerde vergoed te krijgen zodat er geen plaats meer is voor de strafrechter om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen en een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
zesde middelklaagt terecht dat een inbreuk is gemaakt op het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, doordat de stukken van het geding op 23 oktober 2013 bij de Hoge Raad zijn ingekomen nadat op 15 juni 2012 cassatieberoep is ingesteld. Ambtshalve voeg ik hier aan toe dat eveneens inbreuk op het genoemde recht wordt gemaakt doordat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat twee jaren zijn verstreken na het instellen van beroep in cassatie. Dit moet leiden tot strafvermindering.