Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
i.e.het benodigde doelvermogen door premiebetaling onder te brengen bij een (separate) pensioenuitvoerder). De belanghebbende heeft op basis daarvan het verval van haar vroegpensioenregelingen zoveel mogelijk gecompenseerd met een ‘zacht pensioen’ (een
voorwaardelijkeaanspraak op ouderdomspensioen): de daarvoor in aanmerking komende werknemers zouden zoveel als mogelijk in staat gesteld worden uit te treden op de datum en met het uitkeringsniveau die zouden hebben gegolden als de vroegpensioenregelingen van kracht waren gebleven. Omdat de aanspraak op zacht pensioen werd begrensd door de in het verleden niet benutte fiscale ruimte, kon dat beoogde resultaat echter niet steeds bereikt worden: voor veel werknemers betekende het vervallen van de vroegpensioenregelingen dat ze langer moesten doorwerken, ook na toekenning van het zachte pensioen. De
onvoorwaardelijke toekenning en de ‘affinanciering’ van de zachtpensioenrechten hoeft pas te geschieden op de dag voorafgaand aan de pensioeningangsdatum, doch uiterlijk 31 december 2020. Als het dienstverband eerder eindigt, heeft de werknemer slechts recht op een eventueel op dat moment reeds gefinancierd deel van het zachte pensioen. Is er op dat moment nog niets afgefinancierd, dan heeft de werknemer dus geen zacht pensioen.
match1), en ook aan de jaren waarin de werknemer ononderbroken in dienst moet zijn geweest (
match2). Variant 3.2 komt mijns inziens overeen met
match2. Als ik het goed zie, is het echter ook mogelijk dat een werknemer reeds vóór 31 december 2000 c.q. 31 maart 1996 een zodanig uitzicht op vroegpensioen had dat voor hem reeds eerder dan die data aan een voorziening daarvoor mocht worden gedoteerd. In variant 3.2 vallen daardoor mogelijk een of meer jaren buiten de toerekenperiode, hoewel in die jaren voor de desbetreffende werknemer reeds mocht worden gedoteerd. Ik meen daarom dat het vijfde middel in zoverre slaagt.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
- een aanvulling op het ouderdomspensioen (PA),
- een prepensioenbasisuitkering (PPB) en
- een regeling voor vrijwillig vervroegd uittreden (VUT).
alledienstjaren; PJW] is het Hof van oordeel dat deze methode niet in overeenstemming is met goed koopmansgebruik omdat niet een voldoende nauwe band aanwezig is tussen het recht op zacht pensioen en de uitoefening van de dienstbetrekking in de desbetreffende dienstjaren. Dit geldt ook voor de door belanghebbende meer subsidiair gestelde toerekening van de uit de zachtpensioenregeling voortvloeiende lasten aan een periode van 25, althans meer dan 15 jaren [in cassatie aangeduid als variant 3.1; PJW]. De stelling van belanghebbende dat een dergelijke (langere) toerekeningsperiode wordt gerechtvaardigd door de in die periode aanwezig te achten economisch/maatschappelijke inbedding van VUT- en prepensioenregelingen - wat daarvan overigens mag zijn - biedt daarvoor onvoldoende grond. De zachtpensioenregeling is immers niet een voortzetting van eerder geldende VUT- en prepensioenregelingen, maar een specifieke regeling, gebaseerd op de in het Sociaal Akkoord 2004 overeengekomen mogelijkheid van (gedeeltelijke) compensatie voor het als gevolg van de Wet VPL verloren gaan van VUT- en prepensioenrechten.
3.Het geding in cassatie
alledienstjaren) geen goed koopmansgebruik zou zijn. Het oordeel dat een onvoldoende nauwe band zou bestaan tussen het zachtpensioenrecht en de uitoefening van de dienstbetrekking in de desbetreffende (i.e. alle) dienstjaren is niet gemotiveerd. Pensioenkosten zijn arbeidskosten die naar hun aard toegerekend moeten worden aan de gehele diensttijd. Het plafond van de voorwaardelijke zachtpensioenaanspraak wordt bepaald door de vóór 2005 niet benutte fiscale ruimte; daarmee staat de nauwe band met de gehele diensttijd vast.
matching-beginsel van goed koopmansgebruik correct toegepast; hij heeft terecht geoordeeld dat de lasten mogen worden toegerekend aan jaren waarin de werknemers arbeid verrichten en een voorwaardelijk recht hadden op zacht pensioen of een voorganger daarvan. Omdat pas op pensioeningangsdatum een onvoorwaardelijk recht ontstaat, bestaat er onmiskenbaar een verband tussen het zachte pensioen als arbeidsbeloning en de tot aan die datum te verrichten arbeidsprestaties. Het oordeel van het Hof sluit aan bij HR BNB 1993/336.
4.Overzicht van de varianten
5.Zacht pensioen; de regelgeving
al dan niet tijdevenredigkonden worden ‘afgefinancierd’, terwijl pas na die affinanciering sprake is van een pensioentoezegging in de zin van de PSW en slechts in zoverre er afgefinancierd is: [43]
6.Passivering voor toekomstige pensioenlasten; goed koopmansgebruik
matchingvan kosten: de correcte toerekening van uitgaven voor aftrekbare ondernemingslasten, in casu pensioenlasten, aan de jaren waarop die lasten betrekking hebben. In een kalenderjaar genoten ondernemingswinst wordt voor fiscale doeleinden bepaald volgens goed koopmansgebruik (gkg) (art. 3.25 Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) jo. art. 8 Wet Pro op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb)). Lubbers betoogt in zijn recente rubricering van de belangrijkste gkg-regels dat het
matching-beginsel inhoudt dat ondernemingsuitgaven zo veel mogelijk moeten worden toegerekend aan het jaar waarin de opbrengsten in aanmerking worden genomen ter zake waarvan die uitgaven zijn gedaan, [46] en specifiek over uitgaven voor arbeidskosten: [47]
backservice); die
backservicewerd in 20 jaar ingekocht met 20 jaarlijkse annuïteiten, waarvan de eerste op 1 oktober 1945 verviel. De belanghebbende had het voorbehoud gemaakt dat hij de pensioenverplichting te allen tijde kon verminderen of beëindigen. Ondanks dit voorbehoud en anders dan de Raad van Beroep oordeelde u dat voor de belanghebbende wel degelijk een verbintenis ontstond. U stond passivering van een ‘pensioenreserve’ toe, daartoe overwegende:
matchtmet de arbeidsprestaties die hij met die uitgaven beloont. De belanghebbende in die zaak had haar directieleden in 1951 een pensioen toegezegd en de verplichting ondergebracht bij een verzekeraar. In verband met de minder gunstige gezond-heidstoestand van de directie moest zij jaarlijks een aanmerkelijk hogere premie betalen dan normaal. Zij wilde de contante waarde van het in de toekomst meer verschuldigde premiebedrag passiveren ten laste van de winst 1951. U zag echter verband tussen de toekomstige premieuitgaven en nog te verrichten arbeidsprestaties en stond passivering daarom niet toe:
backserviceten laste van de winst 1953 kwam en de
coming servicedrukte op de jaren nadien. De belanghebbende betoogde dat het in strijd zou zijn met goed koopmansgebruik om de contante waarde van de in 1953 aangegane pensioenverplichtingen niet ten volle ten laste van dat jaar te brengen omdat in redelijkheid niet te verwachten viel dat aan de verplichtingen niet zou worden voldaan. U overwoog echter:
bij de belanghebbende, dus evenredig verdeeld over de jaren 1963, 1964 en 1965. Uw oordeel kwam erop neer dat de contante waarde van de verplichting moest worden verdeeld over de gehele duur van de dienstbetrekking. U overwoog:
coming backservice-arrest HR BNB 1972/26 [54] maakt duidelijk dat bij de fiscale winstbepaling rekening mag worden gehouden met een toekomstige verhoging van pensioenrechten omdat die verhoging het karakter heeft van een beloning voor in het desbetreffende jaar verrichtte arbeidsprestaties. De zaak betrof een pensioenregeling waarin de werknemer voor elk jaar werkzaamheid in dienst van de belanghebbende niet alleen een pensioenaanspraak kreeg berekend naar het salaris op het einde van jaar x, maar ook een pensioenaanspraak berekend naar het bedrag waarmee de pensioengrondslag bij het einde van de dienstbetrekking door maatschappelijke ontwikkeling (welvaartstoename en inflatie) de bij pensioengrondslag aan het einde van jaar x zal overtreffen. U overwoog dat:
backserviceniet aan de orde (zie BNB 1959/371: [58] daarvoor was – tot het Baksteenarrest – een in rechte afdwingbare verplichting vereist). In HR BNB 1993/336 [59] daarentegen was de belanghebbende tegenover haar werknemers op 1 juli 1981 VUT-verplichtingen aangegaan die wél juridisch afdwingbaar waren, zodat geen KER, maar een voorziening aan de orde was. De VUT-regeling had meteen vanaf het desbetreffende gebroken boekjaar (1 mei 1980 - 1 mei 1981) ten volle gelding. U stelde voorop dat in beginsel de uit de VUT-verplichtingen voortvloeiende lasten door een passiefpost ten laste van de winst gebracht kunnen worden gedurende de jaren waarin de rechten worden opgebouwd. Die passivering was volgens u mogelijk vanaf het tijdstip waarop ten aanzien van de desbetreffende werknemer een behoorlijke kans bestond dat uitgekeerd zou moeten worden. Het hof had die behoorlijke kans aanwezig geacht bij werknemers die 15 jaar of korter van de VUT-leeftijd verwijderd waren, welk feitelijke oordeel in cassatie stand hield. Vervolgens rees de vraag of de belanghebbende
backservicein aanmerking mocht nemen. In dat kader rees de vraag in hoeverre de toekomstige VUT-lasten toerekenbaar waren aan reeds verstreken dienstjaren. U oordeelde:
matchmocht de belanghebbende ook een
backservicein aanmerking nemen. Slot (noot in BNB 1993/336) vroeg zich af waarom voor de eerste
match(met de 15-jaars behoorlijke-kansperiode) géén
backservicein aanmerking mocht worden genomen, hoewel ook van de 15 opbouwjaren al een deel verstreken kon zijn bij invoering van de regeling. Hij zag geen goede grond voor het onderscheid tussen de periode van 15 jaar voor opbouw de periode van 10 blijfjaren:
backservicein aanmerking kon worden genomen corresponderend met de 15-jaar-opbouw-periode, lijkt mij duidelijk: vóór het boekjaar 1980/1981 kón immers helemaal geen behoorlijke kans op deelname aan enige VUT-regeling bestaan, simpelweg omdat zo’n regeling niet bestond. Dat meteen na invoering van een VUT-regeling geen
backservicein aanmerking kan worden genomen in verband met reeds verstreken jaren van de 15-jaar-opbouwperiode, is dus het gevolg van het geheel ontbreken van enige
matchmet die jaren door het toen geheel ontbreken van VUT-regeling. Een behoorlijke deelnamekans kan niet met terugwerkende kracht ontstaan en werknemers kunnen niet met terugwerkende kracht een blijfpremie krijgen; werknemers kunnen wél achteraf worden beloond voor het feit dat ze op hun 53e al in dienst waren.
7.Zachte pensioenen bij andere bedrijven
8.Literatuur
9.Analyse
Ook de jaren vanaf 2005?
condicio sine qua nonverband, en de rechtspraak besproken in 6.10 t/m 6.18 laat mijns inziens weinig ruimte voor twijfel. Dat de zachtpensioenaanspraak wordt gemaximeerd door in eerdere dienstjaren niet benutte pensioenpremieaftrekruimte is mijns inziens niet relevant. Het zachte pensioen krijgt door die zuiver fiscaal gedreven maximering niet het karakter van een beloning voor arbeid in bepaalde jaren, al dan niet vóór 2005. Een maximumaanspraakomvang die niet afhangt van verrichte of te verrichten arbeid in bepaalde jaren zegt in beginsel niets over de vraag aan welke jaren de aanspraak moet worden toegerekend.
matching-beginsel niet toegerekend worden aan andere verstreken dienstjaren dan die waarin uitzicht bestond op uitkering uit een vroegpensioenregeling.
matcht.
10.Beoordeling van de middelen
Eerste middel
match1) en toerekening aan de periode voorafgaand aan pensionering waarin de werknemer ononderbroken in dienst moet zijn geweest (
match2). Variant 3.2 komt mijns inziens goeddeels overeen met
match2.
backservicein aanmerking kan worden genomen op grond van de
matchmet de jaren waarin de ‘behoorlijke kans’ op deelname bestond.
i.e.15 jaar vóór de onder de oude regelingen verwachte VUT/PPB/PA-datum) en eindigt op de voor de desbetreffende werknemer geldende pensioeningangsdatum doch uiterlijk op 31 december 2020.