Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
door de pand- of hypotheekhouder. Ook dit betoog is tevergeefs. Art. 58 lid 1 Fw Pro, eerste volzin, bepaalt dat de curator aan de pand- en hypotheekhouders een redelijke termijn kan stellen “om tot uitoefening van hun rechten overeenkomstig het vorige artikel over te gaan.” In het onderhavige geval heeft de rechter-commissaris – zoals vermeld – vastgesteld dat de curator in haar e-mail van 30 september 2013 aan Rabobank een termijn heeft gesteld van drie maanden “ter verder[e] uitoefening van (haar) rechten”. Naar oordeel van de rechter-commissaris heeft de curator daarmee een termijn gesteld als bedoeld in art. 58 lid 1 Fw Pro. Zoals vermeld geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Een en ander geldt ook indien dat oordeel bezien wordt in het licht van de stellingen van het onderdeel en de door het onderdeel (in nrs. 39 en 14 t/m 20) aangeduide bijlagen bij het inleidende verzoekschrift.