Voetnoten
1.Belastingdienst/[P].
2.Rechtbank ’s-Gravenhage 28 december 2011, nrs. AWB 08/3628 t/m AWB 08/3630, ECLI:NL:RBSGR:2011:29798. Uitspraak niet gepubliceerd. 4.Deze luidt: “Inkomsten uit verhuur van onroerend goed maken onderdeel uit van een complex van rechten en verplichtingen die bij voortduring tegenover elkaar staan en vormen daarom voor de toepassing van de wet op de inkomstenbelasting geen periodieke uitkeringen, maar inkomsten uit vermogen (waarbij de bron het onroerend goed is en niet de huurovereenkomst). Hetzelfde geldt voor inkomsten uit het trustvermogen, de tot dit vermogen behorende vermogensbestanddelen vormen evenzovele bronnen van inkomen. Als de inkomsten daaruit op grond van de trustakte opkomen bij de benificiary, geniet hij deze als zodanig, en niet als periodieke uitkering. (…)
5.In deze conclusie zijn originele voetnoten, tenzij anders aangegeven, niet meegeciteerd.
6.Kamerstukken II 1998-1999, 26 728, nr. 3, p. 3, 16-17, 83-85.
7.R.E.C.M. Niessen, Stellingen behorende bij het proefschrift: Het begrip lijfrente in de inkomstenbelasting, Deventer: Kluwer 1982.
8.R.E.C.M. Niessen, Kapitaal- en lijfrenteverzekeringen vanaf 2001, WFR 2000/589.
9.J.L.M. Gribnau in: A.C. Rijkers en H. Vording, Vijf jaar Wet IB 2001, Deventer: Kluwer 2006, p. 38.
10.J.P. Boer, De Anglo-Amerikaanse trust in de inkomsten- en vennootschapsbelasting, Den Haag: SDU 2011, p. 326.
11.Kamerstukken II 1980-1981, 16 787, nr. 3, p. 16.
12.Kamerstukken II 1980-1981, 16 787, nr. 6, p. 10 en 17.
13.Kamerstukken II 1980-1981, 16787, nr. 7, p. 5.
14.Met ingang van 1 januari 2010 is nieuwe trustwetgeving van toepassing geworden (art. 2.14a, tweede lid, onderdeel b, Wet IB 2001). Het lijkt erop dat deze nieuwe wetgeving niet van toepassing is op de fixed trust. Zie over deze vraag onder meer: E.R Roelofs, Niets is zeker, ook de fiscale behandeling van de fixed trust niet, WFR 2010/1632, G.D.L.M. Gilissen, De express private trust, Fiscaalrechtelijke beschouwingen over kwalificatie en gevolgen, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2012, p. 397-402, J.P. Boer en R.M. Freudenthal, De identiteitscrisis van de Anglo-Amerikaanse trust: afgezonderd of niet?, WPNR 2009/6802.
15.Hoge Raad 18 november 1998, nr. 31 756, 31758 en 31759, ECLI:NL:HR:1998:BI5819, na conclusies A-G Moltmaker, BNB 1999/35-37 m. nt. J.W. Zwemmer, FED 1999/651-654 m. nt. K.L.H. van Mens. 16.Hof ’s-Gravenhage 12 december 2002, nr. 00/1738, V-N 2003/20.1.2, FED 2003/172 (zie ook onderdeel 7.5).
17.HR 14 juli 2006, nr. 39262, ECLI:NL:HR:2006:AY3640, BNB 2007/19 m. nt. R.M. Freudenthal, FED 2006/90 m. nt. J.P. Boer, NTFR 2006/1004 m. nt. Vrolijks, V-N 2006/39.21 m. nt. Red. 18.HR 26 oktober 2007, nr. 42537, ECLI:NL:HR:2007:AY5991, na conclusie A-G Overgaauw, BNB 2008/122 m. nt. R.M. Freudenthal, FED 2008/23 m. nt. J.P. Boer, NTFR 2007/2036 m. nt. L. Luijckx, V-N 2007/49.8 m. nt. Red. 19.J.P. Boer, De Anglo-Amerikaanse trust in de inkomsten- en vennootschapsbelasting, Den Haag: SDU 2011, p. 261-263.
20.Voetnoot uit citaat: HR 10 juni 1953, BNB 1953/204.
22.J.E.A.M. van Dijck, Periodieke uitkeringen in de Wet IB (I), WFR 1970/449.
23.R.E.C.M. Niessen, Het begrip lijfrente in de inkomstenbelasting, Deventer: Kluwer 1982, p. 115.
24.J.P. Boer en R.M. Freudenthal, De behandeling van periodieke uitkeringen uit een trust in de inkomstenbelasting, WFR 2003/1325.
25.J.P. Boer, annotatie bij Hof ’s-Gravenhage 12 december 2002, nr. 00/1738, FED 2003/308.
26.G.D.L.M. Gilissen, De express private trust, Fiscaalrechtelijke beschouwingen over kwalificatie en gevolgen, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2012, p. 380-382.
27.Hoge Raad 14 december 2001, na conclusie A-G Strikwerda, nr. R01/029, NJ 2001/241, JOR 2002/70 m. nt. H.L.E. Verhagen.
28.E.C. Henriquez, De trust in het internationaal privaatrecht, NTIR,1965, p.253.
29.C.AE. Uniken Venema, In Nederland gelegen goederen toebehorende aan Anglo-Amerikaanse trusts, Nederl. Tijdschrift voor intern. Recht XIV 1967, p. 33-72.
30.H.A. Drielsma, Nogmaals: Anglo-Amerikaans trustrecht en Nederlands Successierecht, WPNR 1972/5170, p. 181-183. In het artikel worden tevens de opvattingen van Henriquez (8.3)en Uniken Venema (8.4) weerlegd.
31.F. Sonneveldt, De Anglo-Amerikaanse trust en de Successiewet 1956, Amersfoort: SDU 2000, p. 20, 90-92.
32.D.C.M. Stigter en G. Ploeg, Levensverzekering, 9e druk bewerkt door B. Timmers, P.M.C. de Lange en A.A. Lugtigheid, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Wellink 1983, p. 7 en 100.
33.H.L. Drost, Oudedags- en gezinsverzorging, 3e druk, Deventer: Kluwer 1963, p. 78. In dezelfde zin R.E.C.M. Niessen, Het lijfrenteregime in de inkomstenbelasting, Deventer: Kluwer 1986, p. 50.
34.Zie hierover R.E.C.M. Niessen, Levensverzekering en fiscus, 2e druk, Deventer: FED 1997, p. 15 e.v.; J. Th. L. Brouwer, Het begrip levensverzekering in de inkomstenbelasting na de Brede herwaardering (dissertatie), Deventer: Kluwer 1993.