ECLI:NL:HR:2006:AY3640
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over periodieke uitkering uit trust als tegenwaarde voor prestatie
Belanghebbende ontving in 1995 een periodieke uitkering uit een subtrust die was ingesteld na het overlijden van de oorspronkelijke trustor. De Inspecteur had deze uitkering bij het belastbare inkomen geteld, wat door belanghebbende werd bestreden. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de uitkering niet de tegenwaarde voor een prestatie vormde en daarom onder artikel 30 viel Pro.
De Hoge Raad herzag dit oordeel en stelde dat de verplichting tot het doen van periodieke uitkeringen haar grond vindt in de prestatie die bestaat uit het onderbrengen van vermogen in de subtrust. Daarmee is sprake van een uitkering die de tegenwaarde voor een prestatie vormt zoals bedoeld in artikel 25, lid 1, letter g, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest. Tevens werd bepaald dat de Staat het griffierecht en de kosten van belanghebbende in cassatie moet vergoeden.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen voor verdere behandeling.