Conclusie
2.Inleidende opmerkingen
Windmill-arrest [9] . Windmill loosde als eigenares van een fabriek jaarlijks afvalgips in slurryvorm in de Nieuwe Waterweg, waarvan de Staat eigenaar is. Windmill beschikte over de benodigde vergunningen op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de Rivierenwet. De Staat eiste echter van Windmill dat zij tegen betaling van
f1,25 gulden per kubieke meter geloosd gipsslurry ook een privaatrechtelijke vergunning verkreeg. Nadat de rechtbank en het hof de vordering hadden afgewezen, overwoog de Hoge Raad [10] :
NJ1991, 393 (Windmill). Wanneer de publiekrechtelijke regeling niet in beantwoording van de vraag voorziet, is beslissend of kostenverhaal via het privaatrecht die regeling op onaanvaardbare wijze doorkruist. Daarbij moet onder meer worden gelet op de inhoud en strekking van de regeling (die ook kan blijken uit haar geschiedenis), zulks mede in verband met de aard van de taak en de aard van de kosten. Van belang hierbij is dat, wanneer verhaal van kosten langs publiekrechtelijke weg is uitgesloten, zulks een belangrijke aanwijzing is dat verhaal van kosten langs privaatrechtelijke weg ook is uitgesloten.”
implicieteafwijzing van een op kostenverhaal gerichte actie op grond van art. 6:162 BW Pro aan te nemen. Overigens is in de benadering van de Hoge Raad (zelfs) een uitsluiting van kostenverhaal in de publiekrechtelijke regeling op zichzelf niet beslissend; een dergelijke uitsluiting is niet meer dan een
“belangrijke aanwijzing”dat ook kostenverhaal langs privaatrechtelijke weg is uitgesloten.
“acute gevaarsituaties waarin het leven van een of meer personen bedreigd wordt”en
“minder gevaarvolle situaties” [21] . Volgens de wetgever (de regering) gaat het niet aan kosten voor het opheffen van eerstbedoelde acute gevaarsituaties naderhand in rekening te brengen [22] . De kosten voor dienstverlening in minder gevaarvolle situaties kunnen daarentegen heel wel in rekening worden gebracht,
“alleen al om niet in een onzuivere concurrentiepositie met het bedrijfsleven te geraken.” [23]
“beperken en bestrijden van gevaar”inhoudt
“dat de brandweer slechts datgene wat een directe bedreiging inhoudt, zal moeten aanpakken (…).”De memorie van toelichting verduidelijkte dit met het voorbeeld dat in de meeste gevallen het na een ongeval verwijderen van een autowrak nadat de inzittenden daaruit zijn bevrijd, niet tot de aan burgemeester en wethouders opgedragen zorg behoort. Overigens werd in de memorie van toelichting benadrukt dat is getracht de noodzaak tot concurrentie met particuliere bedrijven uit te sluiten.
“het Rijk (…) verplicht (is) een weg te onderhouden, wanneer dat openbare lichaam dien tot openbaren weg heeft bestemd.”Tussen partijen staat niet ter discussie dat de rijksweg A15 een zodanige openbare weg is. In de memorie van toelichting op de Wegenwet wordt de mogelijkheid van kostenverhaal niet expliciet besproken. Meermaals wordt benadrukt dat het reguliere onderhoud een overheidstaak is [27] , al kan de eigenaar (en gewezen onderhoudsplichtige) van de weg tot compensatie van de overheid zijn gehouden [28] .
3.Bespreking van het cassatiemiddel
“klachten”) onder B. Onderdeel 1 (
“Schoonmaakwerkzaamheden vallen onder sub b-taak”) valt uiteen in vijf subonderdelen (1.0-1.4), onderdeel 2 (
“Ook Wegenwet staat aan kostenverhaal in de weg/art. 6:174 BW Pro geen grondslag voor werkzaamheden”) omvat zes subonderdelen (2.0-2.5).
subonderdeel 1.0gericht tegen de rov. 3.3, 3.6 en 3.7:
stricto sensuhet wegverkeer wel tijdelijk van het slipgevaar af, maar het verrichten van de schoonmaakwerkzaamheden en het daarna weer verwijderen van de afzetting zijn, aldus het subonderdeel, wel zo spoedig mogelijk en ter definitieve afwending van het gevaar vereist. Volgens het subonderdeel volgt
“de normatieve eenheid”van deze handelingen bovendien uit het feit dat de Staat zelf in zijn vordering geen onderscheid tussen afzettingskosten en schoonmaakkosten heeft gemaakt.
acutegevaarsituaties voor mensen en dieren bij ongevallen, anders dan bij brand. Voorts was het hof kennelijk van oordeel dat het
acutegevaar dat de aanwezigheid van olie op het wegdek oplevert, reeds
“met het (gedeeltelijk) afzetten van de weg (waarvoor geen speciale technische hulpmiddelen nodig zijn) (…) (is) verdwenen”en dat de daarop volgende opruiming van de olie derhalve buiten het bereik van art. 1 lid Pro 4, aanhef en onder b, Brandweerwet 1985 valt. Dit oordeel geeft niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk en is evenmin onbegrijpelijk.
“normatieve eenheid”zouden vormen, kan ik niet volgen. Uiteraard is met de enkele afzetting (als dat al een brandweertaak is; zie hierna onder 3.8) de klus nog niet geklaard en zullen de gevolgen van het ongeval voor de weg eerst met het verwijderen van de olie van het wegdek en het wegnemen van de afzetting volledig ongedaan zijn gemaakt. Dat neemt niet weg dat de verschillende werkzaamheden zich wel degelijk laten onderscheiden, al naar gelang met de achtereenvolgende uitvoering daarvan de situatie zich wel of niet van een acute gevaarsituatie naar een minder gevaarvolle situatie ontwikkelt. Dat onderscheid is ook rechtens van belang, omdat de werkzaamheden die nog moeten worden verricht nadat het
acutegevaar is weggenomen, buiten het bereik van art. 1 lid Pro 4, aanhef en onder b, Brandweerwet 1985 vallen. De juridische relevantie van een dergelijk onderscheid wordt op verschillende plaatsen in de kamerstukken bevestigd. Hiervóór (onder 2.6) verwees ik al naar het in de memorie van toelichting gegeven voorbeeld van na een ongeval in een autowrak bekneld zittende personen. De
acutegevaarsituatie eindigt op het moment dat de brandweer de inzittenden uit het autowrak heeft bevrijd. De aanwezigheid van het autowrak is voor het overige wegverkeer dan nog steeds niet zonder gevaar, maar levert een minder gevaarvolle situatie op die verdere bemoeienis van de brandweer niet rechtvaardigt [34] :
acutegevaarsituatie voor mensen of dieren vormt die in de optiek van de Brandweerwet 1985 inzet van de brandweer zou rechtvaardigen.
“de normatieve eenheid”van de afzetting en de verwijdering van de olie niet gegeven. Overigens heeft de Staat consequent het standpunt ingenomen dat reeds de afzetting het acute gevaar heeft weggenomen, dat het verwijderen van de olieverontreiniging tot herstel van de weg in de oude toestand strekte (zie onder meer conclusie van repliek, onder 32-33) en dat, als er al sprake is van kosten die niet voor verhaal in aanmerking komen omdat zij ter bestrijding van acuut gevaar als bedoeld in de Brandweerwet 1985 zijn gemaakt, zulks alleen de door de Staat op € 325,- gestelde kosten van de afzetting van het wegdek zou betreffen (memorie van grieven, onder 23-24).
subonderdeel 1.2het hof te hebben miskend dat het antwoord op de vraag of olie op de weg een gevaar vormt in de zin van art. 1 lid Pro 4, aanhef en onder b, Brandweerwet 1985 en, zo ja, welke maatregelen ter beperking van dat gevaar moeten worden getroffen, afhankelijk is van alle relevante omstandigheden van het geval. Volgens het subonderdeel heeft het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, nu het niet heeft vastgesteld hoeveel olie zich op het wegdek bevond, waar die olie zich bevond en in welke mate het wegverkeer daardoor respectievelijk door de vereiste wegafzetting werd gehinderd. Naarmate de verkeershinder groter wordt, neemt de dringendheid van de schoonmaakwerkzaamheden volgens het subonderdeel immers toe. Het subonderdeel betoogt dat (ter voorkoming van ongewenste onzekerheid en willekeur) als uitgangspunt geldt dat naast de afzettingskosten ook de schoonmaakkosten voor rekening van de Staat blijven.
acutegevaarsituaties (en niet op slipgevaar op een afgezette weg) ziet, niet worden verweten dat het zich, zonder nader onderzoek naar de mate en de plaats van de olieverontreiniging, naar de stellingen van de Staat heeft gericht.
ten hoogstede kosten, verbonden aan het afzetten van de weg (de memorie van grieven spreekt onder 23 van
“het wegdek”), onder de Brandweerwet 1985 zouden
kunnenvallen.
“technische hulpverlening”door de brandweer. Die technische hulpverlening is volgens de memorie van toelichting aan de orde in
“concrete gevaarssituaties die de inschakeling van technische hulpmiddelen vereisen”. Zo wordt opgemerkt [36] :
“concrete gevaarsituaties die de snelle inschakeling van technische hulpmiddelen vereisen” [40] . Dat het hof relevant heeft geacht dat voor het afzetten van de weg geen speciale technische hulpmiddelen nodig zijn, getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting.
“het (gedeeltelijk) afzetten van de weg (waarvoor geen speciale technische hulpmiddelen nodig zijn)”heeft het hof kennelijk bedoeld dat voor het (gedeeltelijk) afzetten van de weg geen noodzaak bestaat tot het inzetten van specifiek tot de outillage van de brandweer behorende technische hulpmiddelen, waardoor technische hulpverlening door de brandweer zou zijn aangewezen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van hetgeen het subonderdeel betoogt. Pick-ups en pylonen, als men die al als technische hulpmiddelen zou willen beschouwen, zijn geen technische hulpmiddelen die specifiek tot de outillage van de brandweer behoren. Dat laatste is ook niet wat het subonderdeel betoogt; volgens het subonderdeel staan zulke middelen
“slechts een beperkte groep (zoals hulpdiensten enwegwerkers) ter beschikking”(onderstreping toegevoegd; LK). Een pick-up is volgens de grote Van Dale een
“kleine open vrachtauto die zeer gemakkelijk geladen kan worden”; het begrip pylon (
“verkeerskegel”) wordt in de grote Van Dale met weg- en waterbouw in verband gebracht:
“(weg- en waterbouw) felgekleurde kegel die een obstakel op de rijweg aangeeft”. Overigens valt niet in te zien waarom deze middelen slechts aan een beperkte groep ter beschikking zouden staan; de pick-up is niet meer dan een gangbaar autotype, terwijl pylonen wijd en zijd worden gebruikt, bijvoorbeeld ook bij sporttrainingen. Dat de exclusiviteit van de inzet van die middelen nog eens zou worden onderstreept doordat afzetting van de openbare rijksweg niet zonder toestemming van de Staat mogelijk is, wijst, wat daarvan overigens zij, evenmin erop dat men voor die afzetting op (technische hulpverlening door) de brandweer is aangewezen. Veeleer bevestigt die omstandigheid dat de bedoelde afzetting niet tot het werkterrein van de brandweer, maar tot dat van andere diensten (Rijkswaterstaat) behoort. Ten slotte wijs ik erop dat in cassatie niet ervan kan worden uitgegaan dat de pick-ups zonder chauffeur, waarvan de kosten (ad € 20,-) in rekening zijn gebracht, voor het afzetten van de weg zijn gebruikt (zie productie 2 bij de inleidende dagvaarding). Hetzelfde geldt voor de veronderstelde inzet van pylonen. Voor zover het subonderdeel op de veronderstelde inzet van pylonen steunt, mist het ook daarom feitelijke grondslag, omdat ter zake van de inzet
“(u)it voorraad Rijkswaterstaat”(die door het subonderdeel kennelijk als de inzet van pylonen is opgevat) überhaupt geen kosten in rekening zijn gebracht en de inzet van pylonen in het geding in cassatie dan ook geen enkele rol speelt.
“gewone mensen”een dergelijke botsabsorber
“niet in huis (hebben)”, moge zo zijn, maar impliceert niet dat een dergelijke botsabsorber tot de standaardoutillage van de brandweer zou behoren. Overigens beschikte Wilchem als particuliere dienstverlener wel degelijk over een dergelijke botsaborber, terwijl uit voetnoot 24 van de schriftelijke toelichting van de mrs. Fruytier en Meijer blijkt dat botsabsorbers door een ieder kunnen worden gehuurd.
subonderdeel 2.0klachten tegen de rov. 3.4-3.7:
subonderdeel 2.2over een onjuiste rechtsopvatting. Art. 6:174 lid 2 BW Pro zelf bevat volgens het subonderdeel geen verplichting tot onderhoud of het treffen van maatregelen, maar slechts de aanwijzing van risicoaansprakelijke partijen.
“in dat kader”) de noodzakelijke werkzaamheden te verrichten en maatregelen te treffen aan die uit de Wegenwet voortvloeiende verplichting tot beheer en onderhoud gerelateerd. Met de verwijzing naar art. 6:174 lid 2 BW Pro in rov. 3.6 (
“- gelet op de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174 lid 2 BW Pro -”)heeft het hof kennelijk slechts de urgentie van de door de Staat te nemen maatregelen ter voorkoming van risico’s voor verkeersdeelnemers willen benadrukken (
“(…) de Staat ertoe nooptedirectmaatregelen te nemen ter voorkoming van risico’s voor verkeersdeelnemers”; onderstreping toegevoegd; LK). Daarmee heeft het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven.
“het overheidslichaam dat moet zorgen dat de weg in goede staat verkeert”in de zin van die bepaling) ertoe noopte direct maatregelen te nemen, doet niet af dat de enkele aanwezigheid van olie op het wegdek op zichzelf nog niet betekent dat de weg niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen [41] . In de benadering van het hof was kennelijk reeds de
mogelijkheiddat de aanwezige olie de weg in de zin van art. 6:174 lid 1 BW Pro gebrekkig maakte, voldoende om de Staat ertoe te zetten direct maatregelen ter voorkoming van risico’s voor verkeersdeelnemers te treffen.
onaanvaardbaarzou doorkruisen), moet worden aangenomen dat privaatrechtelijk kostenverhaal mogelijk is [42] . Daaraan doet niet af dat de Staat voor het gebruik van de openbare weg van gemotoriseerde weggebruikers motorrijtuigenbelasting, accijnzen en belastingen op personenauto’s en motorrijwielen (bpm) heft en dat de opbrengsten daarvan de door de Staat gemaakte onderhoudskosten overtreffen. Nog daargelaten dat Achmea zich niet eerder op de opbrengsten van de bedoelde belastingen en accijnzen in vergelijking met de kosten van wegbeheer heeft beroepen en nog daargelaten dat de opbrengsten van de bedoelde belastingen en accijnzen niet (uitsluitend en geheel) voor het door art. 15 lid 1 van Pro de Wegenwet aan de Staat opgedragen onderhoud zijn bestemd, valt niet in te zien waarom het in verband met de enkele omstandigheid dat alle kosten van onderhoud uit de algemene middelen zouden
kunnenworden voldaan, het de Wegenwet onaanvaardbaar zou doorkruisen wanneer de Staat, die door de (óók jegens hem) onrechtmatige daad van een ander ter uitoefening van zijn beheers- en onderhoudstaak
“genoopt wordt tot het treffen van bijzondere maatregelen of de uitvoering van bijzondere werken welke zonder dat onrechtmatig gedrag niet hadden behoeven te worden getroffen en verricht” [43] , de daaraan verbonden kosten op de schuldige partij die daarvoor (ook volgens de Hoge Raad [44] ) aansprakelijk is, verhaalt.
Evenmin kan de wegbeheerder schade aan het wegdek en wegmeubilair zoals verkeersinstallaties, viaducten, bruggen, wegwijzers, geleiderails en lantaarnpalen die bij voorbeeld door een ontvlamming van een motorvoertuig teweeg is gebracht volledig op de bezitter, eigenaar of houder van het betrokken motorrijtuig verhalen(onderstreping toegevoegd; LK). Met de voorgestelde wetswijziging wordt beoogd te komen tot een evenwichtiger wettelijke regeling van genoemde aansprakelijkheid.”
risicoaansprakelijkheid van de eigenaar van het motorrijtuig de door dat motorrijtuig veroorzaakte schade, óók aan het wegdek en aan wegmeubilair, volledig dient te worden vergoed, acht ik onverenigbaar dat verhaal van kosten van bijzondere maatregelen of bijzondere werken waartoe het
onrechtmatighandelen van een weggebruiker heeft genoopt, de Wegenwet onaanvaardbaar zou doorkruisen.
nietervan uitgegaan dat alle door de Staat ter nakoming van zijn verplichting tot beheer en onderhoud gemaakte kosten (ook als die kosten door onrechtmatig gedrag van een weggebruiker zijn opgekomen) voor rekening van de Staat blijven en bij wijze van uitzondering slechts dan kunnen worden verhaald als de betrokken werkzaamheden ter voorkoming van risico’s voor verkeersdeelnemers direct moesten worden verricht. De gedachtegang van het hof houdt daarentegen in dat, waar verhaal van kosten op de aansprakelijke weggebruiker de Wegenwet niet onaanvaardbaar doorkruist, zodanig verhaal niet slechts bij wijze van uitzondering, maar als regel mogelijk is. In rov. 3.6 heeft het hof onder meer overwogen: