Eiseressen tot cassatie - tezamen verder te noemen: SFB - hebben bij exploit van 30 september 1996 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en gevorderd bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen om aan SFB te betalen een bedrag van ƒ 358.644,95 aan nota's, vermeerderd met een bedrag van ƒ 51.060,-- aan onderzoekskosten, alsmede een bedrag van ƒ 14.919,-- aan buitengerechtelijke kosten, het totaal van deze bedragen te vermeerderen de wettelijke rente vanaf 18 maart 1996, zijnde de datum van ingebrekestelling, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van deze procedure, die van de conservatoire beslagen en gerechtelijke bewaring daaronder begrepen.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft na een tussenvonnis van 9 september 1997 bij eindvonnis van 19 mei 1998 de vordering geheel toegewezen.
Tegen het tussenvonnis van 9 september 1997 heeft [verweerder] bij exploiten van 5 december 1997 (rolnr. 130/98) en bij exploiten van 14 augustus 1997 (rolnr. 734/98) heeft [verweerder] tegen zowel voormeld tussenvonnis als tegen het eindvonnis van 19 mei 1998 hoger beroep ingesteld bij de het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 13 maart 2001 heeft het Hof:
- vernietigd het tussenvonnis van 9 september 1997 ten aanzien van hetgeen in de rechtsoverwegingen 3.9 en 3.10 van dat vonnis is overwogen.
- bekrachtigd voormeld vonnis voor het overige.
- vernietigd het eindvonnis van 19 mei 1998 voor zover [verweerder] daarbij is veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 51.060,= aan onderzoekskosten en een bedrag van ƒ 14.919,= aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 1996 tot de dag der algehele voldoening, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- de vordering van het SFB tot vergoeding van een bedrag aan onderzoekskosten afgewezen;
- [verweerder] veroordeeld om aan het SFB ter vergoeding van buitengerechtelijke kosten een bedrag van ƒ 4.000,-- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 september 1998 tot de dag der algehele voldoening;
- het door het SFB terzake meer of anders gevorderde afgewezen;
- bekrachtigd het eindvonnis van 19 mei 1998 voor het overige en voor de mate waarin aan dat vonnis nog zal dienen te worden voldaan verwezen naar het in rov. 4.5.2 van dit arrest overwogene, en
- [verweerder] veroordeeld in de kosten van het hoger beroep voor zover door het tussentijds beroep van het tussenvonnis nodeloos veroorzaakt, welke kosten aan de zijde van het SFB tot de dag van deze uitspraak worden begroot op het door SFB in het hoger beroep tegen het tussen vonnis betaalde griffierecht ten bedrage van ƒ 8.700,-- en onder welke kosten aan de zijde van [verweerder] zelf de kosten van de dagvaarding tot het hoger beroep tegen het tussen vonnis, het griffierecht in dat hoger beroep en de kosten van de - met die in het hoger beroep tegen de beide vonnissen overeenstemmende - memorie van grieven in het appel tegen het tussenvonnis zijn te rekenen.