Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
elementen[cursivering hof, W-vG] van een betrekking van onbepaalde duur. Eneco was weliswaar (formeel) zelf geen partij bij laatstbedoelde overeenkomst, maar in verband met de hiervoor bedoelde samenhang in de diverse rechtsbetrekkingen, “kleurt” die overeenkomst wel mede de rechtsbetrekking tussen haar en de Stichting en ICSO. Uitgaande van deze elementen van een rechtsbetrekking van onbepaalde duur doet zich een situatie voor die zich tot op zekere hoogte laat vergelijken met de opzegging van een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan.
onderdelen 1 en 2, evenals
onderdeel 3(gedeeltelijk) respectievelijk de rechtsoverwegingen 4.13, 4.14 en 4.15 afzonderlijk op de korrel nemen, dienen deze rechtsoverwegingen in onderling verband te worden gelezen.
zonderaan de Stichting c.s. een substantiële vergoeding aan te bieden, en dus niet dat de (onthoudings)verplichting ook ten aanzien van Eneco gold. Zie in dat verband ook de rechtsoverwegingen 4.20 en 4.23, waarin het hof juist het tegendeel overweegt van hetgeen het onderdeel betoogt:
dit echter niet zonder aan de Stichting en ICSO de hiervoor bedoelde substantiële vergoeding aan te bieden[cursivering: W‑vG].”
niet zonder aan de Stichting en ICSO een substantiële vergoeding aan te bieden[cursivering: W-vG].”
tot op zekere hoogte[cursivering: W-vG] laat vergelijken met de opzegging van een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan”. Het hof vergelijkt daarmee de onderhavige situatie met de opzegging van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd, zonder echter te oordelen dat tussen Eneco en de Stichting c.s. (dus) een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd bestaat.
zonderhen een substantiële vergoeding aan te bieden, maar niet ongeclausuleerd dat Eneco zich (te allen tijde en absoluut) diende te onthouden van het zelfstandig aanvragen van een licentie.
als voormalige sponsor[cursivering hof, W-vG] in beginsel niet vrijstond om het gesponsorde evenement voor de toekomst zonder toestemming van de Stichting en ICSO over te nemen. Bovendien is ook zonder hergebruik de waarde van de bedoelde infrastructuur voor de Stichting en ICSO – daargelaten in hoeverre die waarde zich in economische zin laat vaststellen en/of (deels) moreel van aard is – feitelijk verloren gegaan. Eneco erkent dat de Nederlandse markt voor de wielersport te klein is om ruimte te bieden voor een (nieuwe) Ronde van Nederland naast de Benelux Tour (memorie van grieven onder 3.22)
ookuit het ongeschreven recht in de zin van het leerstuk van de onrechtmatige daad voortvloeit dat het Eneco in beginsel niet vrijstond om het gesponsorde evenement voor de toekomst over te nemen, en tegen die overweging is in cassatie geen klacht gericht – faalt de klacht omdat de rechter op grond van het bepaalde in art. 25 Rv Pro. ambtshalve de rechtsgronden dient aan te vullen.
zonderdat daarbij aan de Stichting c.s. een vergoeding werd aangeboden.