ECLI:NL:PHR:2014:1882

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 september 2014
Publicatiedatum
28 oktober 2014
Zaaknummer
14/02360
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 67 VreemdelingenwetArt. 472 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens opgeheven ongewenstverklaring leidt tot vrijspraak

De aanvrager werd bij vonnis van de Politierechter te Amsterdam op 3 augustus 2012 veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf wegens verblijf als ongewenste vreemdeling in Nederland. Namens hem werd een aanvraag tot herziening ingediend op grond van art. 457 lid 1 aanhef Pro en onder c Sv, omdat de ongewenstverklaring met terugwerkende kracht per 1 augustus 2011 was opgeheven bij beschikking van 1 april 2014.

De Hoge Raad overweegt dat de opgeheven ongewenstverklaring inhoudt dat het besluit tot ongewenstverklaring geacht moet worden niet te zijn gegeven. Dit levert een gegeven op dat bij de oorspronkelijke terechtzitting niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat de Politierechter, indien hiervan op de hoogte, tot vrijspraak zou zijn gekomen.

De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond, beveelt zo nodig opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling en beslissing. Hiermee wordt het belang van een juiste rechtsgang en correcte toepassing van het vreemdelingenrecht gewaarborgd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 14/02360H
Zitting: 30 september 2014
Mr. Hofstee
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1. Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 3 augustus 2012 met parketnummer 13/651074-12, is de aanvrager wegens "Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.
2. Namens de aanvrager heeft mr. J.J.M. Kleiweg, advocaat te Amsterdam, een aanvraag tot herziening van voornoemd vonnis van de Politierechter ingediend.
3. De aanvraag berust op de stelling dat zich een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv voordoet nu de ongewenstverklaring van de aanvrager met terugwerkende kracht met ingang van 1 augustus 2011 is opgeheven. De desbetreffende beschikking van 1 april 2014 is als bijlage 2 bij de aanvraag gevoegd.
4. Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv Pro slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
5. De aanvrager is op grond van art. 67, eerste lid aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet bij beschikking van 1 augustus 2011 tot ongewenst vreemdeling verklaard. Bij beschikking van 19 augustus 2013 is de aanvraag tot opheffing van die ongewenstverklaring van de aanvrager afgewezen. Bij beschikking van 1 april 2014 is het daartegen gerichte bezwaar gegrond verklaard en is de ongewenstverklaring van verzoeker opgeheven per 1 augustus 2011.
6. Op grond van het voorgaande moet er vanuit worden gegaan dat de beschikking tot ongewenstverklaring van 1 augustus 2011 geacht moet worden niet te zijn gegeven. Immers, gelet op de beschikking van 1 april 2014 luidt het besluit de ongewenstverklaring van de aanvrager op te heffen met ingang van de dag waarop de verzoeker aanvankelijk ongewenst was verklaard, te weten 1 augustus 2011.
7. Daaruit volgt dat in deze herzieningszaak sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv, een gegeven dus dat, kort gezegd, het ernstige vermoeden doet ontstaan dat indien de Politierechter daarmee bekend was geweest het onderzoek van de zaak ter terechtzitting zou hebben geleid tot vrijspraak. [1]
8. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het hierboven onder 1 aangehaalde vonnis van de Politierechter van de rechtbank te Amsterdam van 3 augustus 2012 (met parketnummer 13/651074-12) zal bevelen, en de zaak zal verwijzen naar een Gerechtshof opdat de zaak op de voet van art. 472, tweede lid (aanhef en onder b), Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:539.