Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
ex tuncte geschieden omdat dat ook in het verleden de rechtens correcte situatie was (‘van rechtswege’) en de gelijkheid met correct ingedeelde andere ondernemers moet worden hersteld. Daarentegen kan een verzoek om een andere dan de rechtens correcte indeling mijns inziens in beginsel slechts
ex nuncingewilligd worden, tenzij de regelgeving voorziet in terugwerkende kracht van die afwijkende indeling en die terugwerking normeert, met name temporeel (tot hoe ver terug?). Dat is niet het geval. Het Hof heeft daarom kunnen oordelen dat van gelijke gevallen geen sprake is. Dat de Inspecteur
binnende groep van concernaansluitingverzoekers sommigen wel en sommigen geen terugwerkende kracht verleent (althans meer terugwerking gunt dan de belanghebbenden), is door de belanghebbenden niet gesteld. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat het niet toestaan van terugwerking vaste gedragslijn is sinds de invoering van de regeling. Willekeur zie ik evenmin; ik acht de door de Inspecteur gekozen ingangsdatum een redelijke en opportune; in elk geval kon het Hof oordelen dat die ingangsdatumkeuze niet getuigt van onbehoorlijk bestuur.
alsde belanghebbenden in verzuim zouden zijn geweest, zulks verschoonbaar was, gezien (i) de in 2.6 – 2.8 weergegeven gang van zaken en (ii) art. 6:11 Awb Pro, zijn zij terecht in hun beroep ontvangen.
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
3.Het geding in cassatie
4.Achtergrond en regelgeving
stand alonebezien, niet tot die sector behoren. [20] Deze ‘concernaansluiting’ wijkt af van de sectorindeling ex art. 96(1) en (2) Wfsv en is gebaseerd op de delegatie in art. 96(3) Wfsv. [21] Art. 5.4 Regeling Wfsv luidt:
5.De toelichting op de concernaansluiting
Jurisprudentie, (vervallen) beleid en regelgeving over terugwerkende kracht van herziening van reguliere sectorindeling
Discretionaire bevoegdheid? Temporele werking van fiscale keuze-faciliteiten; de a.b.v.b.b. (middel (i))
kunnenworden bereikt en waarschijnlijk ook zullen worden bereikt (nu concernaansluiting denkelijk hoe dan ook administratieve lasten vermindert), terwijl dat bij concernaansluiting voor het verleden niet mogelijk is.
voorwaardeis voor de fbi-status of er een
gevolgvan is. Is afrekening een
voorwaardevoor de fbi-status, dan moet de aangifte over het jaar
voorafgaandeaan het beoogde status-ingangsjaar het verzoek (i.e. de afrekening) bevatten. Alsdan is er een beperkte terugwerkende kracht: het “verzoek” (de afrekening in de aangifte) wordt immers ingediend ná de ingangsdatum van de fbi-status. [50] Is afrekening een
gevolgvan de fbi-status, dan ligt in de aangifte over het beoogde status-ingangsjaar een verzoek om de fbi-status besloten (in die aangifte wordt de winst berekend conform de fbi-regels). Alsdan is er een ruimere terugwerkende kracht (meer dan een jaar), omdat die aangifte pas na afloop van dat jaar gedaan wordt. Deze onduidelijkheid vloeit voort uit het ontbreken van een (constitutief) verzoek bij en een beschikking van de inspecteur.
inhet eerste jaar waarin de belastingplichtige zulke winst geniet, dan wel in het tiende jaar of een veelvoud daarvan nadien. Een verzoek bij de aangifte over bijvoorbeeld het eerste jaar waarin zulke winst wordt genoten, is dus te laat. Wordt het verzoek ingewilligd, dan geldt het regime in beginsel voor tien jaar, met ingang van het jaar waarin het verzoek is gedaan. Er is dus een beperkte, expliciet in de wet geregelde terugwerkende kracht, vergelijkbaar met de temporele terugwerking (ten opzichte van de verzoekdatum) van de status van vrijgestelde beleggingsinstelling.
junctode Regeling functionele valuta [51] kunnen belastingplichtigen ervoor kiezen om “het belastbare bedrag te berekenen in een andere geldeenheid dan de euro”. Wordt het verzoek ingewilligd, dan geldt de regeling in beginsel voor tien jaar vanaf het jaar na het jaar waarin het verzoek is gedaan. Hier wordt terugwerkende kracht dus uitgesloten, omdat toepassing van de regeling vanaf een eerder tijdstip (
e.g.met ingang van het jaar waarin het verzoek wordt gedaan) fiscaal tot ongewenste uitkomsten zou kunnen leiden: belastingplichtigen kunnen dan een verzoek laten afhangen van het koersverloop van de andere geldeenheid gedurende het jaar. [52]
dus(minstens) vijf jaar terugwerkende kracht zou gelden, wordt dus niet gedeeld door de Rechtbank Haarlem. [56] Overigens heeft de aanwijzing als SGI geen gevolgen voor de hoogte of het tijdstip van de af te dragen belasting, zodat die regeling mijns inziens niet vergelijkbaar is met concernaansluiting voor de sectorpremieheffing, die immers wél gevolgen heeft voor de hoogte van de verschuldigde premies.
omdatde wet er expliciet in voorziet en dat de temporele terugwerking ten opzichte van de verzoekdatum,
indiener in voorzien is, steeds zeer beperkt is, nl. beperkt tot hoogstens het verstreken deel van het jaar waarin het verzoek wordt gedaan, kennelijk omdat een keuzerecht nu eenmaal een wilsuiting vereist. [57]
verplichtzou zijn. Integendeel: uit het bovenstaande overzicht blijkt juist dat bij fiscale duurfaciliteiten op verzoek eventuele terugwerkende kracht expliciet gereguleerd wordt, zodat het zwijgen van de regelgever over eventuele temporele terugwerking kennelijk betekent: in beginsel geen terugwerkende kracht ten opzichte van de verzoekdatum.
nietstrookt met reguliere sectorindeling op basis van de feitelijke werkzaamheden. Het eerste dient in beginsel
ex tuncte geschieden omdat dat ook in het verleden de rechtens correcte situatie was (‘van rechtswege’) en de gelijkheid met correct ingedeelde andere ondernemers moet worden hersteld; daarentegen kan een verzoek om een andere dan de rechtens correcte indeling mijns inziens in beginsel slechts
ex nuncingewilligd worden, tenzij de regelgeving voorziet in terugwerkende kracht van die afwijkende indeling en die terugwerking normeert, met name temporeel (tot hoe ver terug?). Dat is niet het geval. Het Hof heeft daarom kunnen oordelen dat van gelijke gevallen geen sprake is.
binnende groep van concernaansluitingverzoekers sommigen wel en sommigen geen terugwerkende kracht verleent (althans meer terugwerking gunt dan de belanghebbenden), is door de belanghebbenden niet gesteld en overigens heeft de Inspecteur onweersproken gesteld [62] dat het niet toestaan van terugwerking van een verzoek om concernaansluiting vaste gedragslijn is sinds de invoering van de regeling.
8.Gelijkheidsbeginsel als wetgevingsbeginsel (middel (ii))
juisttemporeel niet vergelijkbaar met de vijf jaar eerder verzoekenden.