ECLI:NL:PHR:2014:1916
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-toepassing aandelenfusiefaciliteit bij driehoeksfusie met buitenlandse vennootschap
Belanghebbende, voormalig aandeelhouder van [C] BV, had zijn aandelen in 2000 verkocht zonder het vervreemdingsvoordeel als winst uit aanmerkelijk belang aan te geven. De Inspecteur nam dit voordeel alsnog in aanmerking en legde een navorderingsaanslag op. Na eerdere uitspraken van de Hoge Raad en het Hof Amsterdam werd het geschil voortgezet over de toepassing van de aandelenfusiefaciliteit bij de verkoop.
Het Hof oordeelde dat de aandelenfusiefaciliteit niet van toepassing was omdat niet voldaan werd aan de wettelijke eis dat de overnemende vennootschap eigen aandelen uitreikt. In dit geval werden aandelen in de moedervennootschap van de overnemende vennootschap uitgereikt, wat neerkomt op een driehoeksfusie. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin dergelijke constructies niet onder de faciliteit vallen.
De Advocaat-Generaal benadrukt dat de regeling bedoeld is om financiële moeilijkheden bij fusies die leiden tot grotere productie-eenheden te verzachten, en dat persoonlijke houdstermaatschappijen niet onder deze regeling vallen. Ook is de weigering om de faciliteit toe te passen bij driehoeksfusies niet in strijd met het vrij verkeer van kapitaal of de vrijheid van vestiging binnen de EU. Het beroep van belanghebbende wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag blijft gehandhaafd.