ECLI:NL:PHR:2014:1920
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing aandelenfusiefaciliteit bij driehoeksfusie met buitenlandse vennootschap
Belanghebbende, voormalig aandeelhouder van [C] BV, had zijn aandelen verkocht aan een Amerikaans beursgenoteerd bedrijf in 2000 zonder het vervreemdingsvoordeel als winst uit aanmerkelijk belang aan te geven. De Inspecteur nam dit voordeel alsnog in aanmerking en legde een navorderingsaanslag op. Na eerdere procedures oordeelde het Hof dat de aandelenfusiefaciliteit niet van toepassing was en dat de navorderingsaanslag terecht was opgelegd.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat er geen sprake was van een aandelenfusie in de zin van artikel 20f in verbinding met artikel 14b Wet IB 1964. De Advocaat-Generaal wees erop dat de wet vereist dat de overnemende vennootschap eigen aandelen uitreikt, terwijl in dit geval aandelen in de moedervennootschap werden uitgereikt, wat volgens de Hoge Raad niet onder de fusiefaciliteit valt.
Verder werd betoogd dat de regeling discriminerend zou zijn en in strijd met het vrij verkeer van kapitaal, maar de A-G stelde dat de regeling betrekking heeft op de vrijheid van vestiging en niet op kapitaalverkeer, en dat deze vrijheid niet geldt ten opzichte van derde landen zoals de VS. Ook het beroep op redelijke wetstoepassing werd verworpen omdat de regeling niet leidt tot een manifest onredelijk resultaat.
De Hoge Raad bevestigde dat de aandelenfusiefaciliteit niet geldt voor driehoeksfusies waarbij een buitenlandse moedervennootschap betrokken is en dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag blijft in stand.