ECLI:NL:PHR:2014:1929

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2014
Publicatiedatum
4 november 2014
Zaaknummer
12/03070
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 80a ROArt. 440 Sv
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende motivering strafvermindering bij overschrijding redelijke termijn

Het Gerechtshof te Leeuwarden veroordeelde verdachte tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De kern van het cassatiemiddel betrof de onvoldoende motivering van het hof bij de strafoplegging, met name het nalaten om expliciet aan te geven welke straf was opgelegd zonder de overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof had erkend dat de redelijke termijn was overschreden, wat een strafvermindering rechtvaardigde, maar gaf niet aan hoe hoog de straf zonder deze overschrijding zou zijn geweest. De Hoge Raad stelt dat dit een vereiste is om de vermindering te kunnen toetsen. Hoewel het middel slaagt, oordeelt de Hoge Raad dat het belang van verdachte bij cassatie niet evident is en verklaart het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a RO.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het arrest wat betreft de strafoplegging en tot een passende beslissing door de Hoge Raad op basis van artikel 440 Sv Pro, maar het beroep wordt voor het overige verworpen. De zaak benadrukt het belang van een duidelijke motivering bij strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onvoldoende belang ondanks geconstateerde overschrijding redelijke termijn en onvoldoende motivering strafvermindering.

Conclusie

Nr. 12/03070
Zitting: 9 september 2014
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 12 juni 2012 verdachte wegens “feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, een middel van cassatie voorgesteld.
4.
Het middel
4.1. Het middel klaagt dat het Hof de opgelegde straf onvoldoende heeft gemotiveerd. Het Hof heeft namelijk verzuimd aan te geven welke straf zou zijn opgelegd, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.
4.2. Het Hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:
“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich gedurende ruim vijfjaren met regelmaat schuldig gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met de geestelijk beperkte dochter van zijn partner, te weten [slachtoffer].
Verdachte heeft het vertrouwen dat de kwetsbare [slachtoffer] in hem had moeten kunnen stellen als stiefvader op grove wijze beschaamd. Verdachte is ernstig tekortgeschoten in zijn rol als opvoeder. Daarbij merkt het hof op dat verdachte het slachtoffer kent sinds haar tweede jaar en dat het slachtoffer zijn achternaam draagt.
Door aldus te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gepleegd op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft hij haar belangen volledig veronachtzaamd. Verdachte lijkt enkel te hebben gehandeld ter bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften. Gedragingen als de onderhavige brengen, naar algemeen bekend is, ernstige schade toe aan de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van slachtoffers.
Het hof merkt op dat verdachte ook thans nog niet doordrongen lijkt te zijn van de ernst van de inbreuk die hij op het leven van het slachtoffer heeft gemaakt, gelet op zijn houding ter terechtzitting in hoger beroep en de wijze waarop hij over het gebeuren heeft verklaard.
Mede gezien de verstandelijke beperking van het slachtoffer acht het hof een gevangenisstraf passend en geboden. Het opleggen van een werkstraf, zoals door de verdediging ter terechtzitting van het hof is bepleit, doet geen recht aan de aard en de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit.
Het hof heeft geconstateerd dat er in de procedure in eerste aanleg sprake is van onredelijke vertraging in de vervolging in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM.
Tussen de aanvang van de zaak in eerste aanleg en de uitspraak in eerste aanleg is ongeveer drie jaar en een maand verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof niet de indruk gewekt dat hij intrinsiek gemotiveerd is om vrijwillig aan behandeling deel te nemen, daarom is de oplegging van een verplicht reclasseringstoezicht en verplichte behandeling bij de AFPN in het kader van een bijzondere voorwaarde bij het op te leggen voorwaardelijk strafdeel, aangewezen.
Gelet op bovenstaande, alsmede gelet op de inmiddels relatieve ouderdom van het feit ziet het hof aanleiding de onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor beperkte duur op te leggen, zodat verdachte ook eerder kan beginnen met de voornoemde behandeling bij de AFPN.
Bij de straftoemeting is in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 april 2012 - niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.”
4.3. Vooropgesteld wordt dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Dit betekent dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Met het oog op de door de Hoge Raad uit te oefenen controle in geval van vermindering van de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn behoort de rechter in zijn uitspraak aan te geven in welke vorm of mate de straf is verlaagd. Dit betekent dat in de uitspraak ook vermeld dient te worden welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden (vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358, r.o. 3.7 en 3.24).
4.4. Het Hof heeft overwogen dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in eerste aanleg is overschreden. Gelet hierop heeft het Hof aanleiding gezien de gevangenisstraf te verminderen. Echter, het Hof heeft daarbij niet vermeld welke straf zou zijn opgelegd, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Het middel is in het licht van hetgeen hiervoor onder 4.3 is vooropgesteld dan ook terecht voorgesteld.
4.5. De vraag is wat daarvan de consequentie moet zijn. De regel is dat in gevallen als de onderhavige terug- of verwijzing dient te volgen. Slechts in uitzonderingsgevallen wordt van die regel om doelmatigheidsredenen afgeweken. [1] Van een dergelijk uitzonderingsgeval lijkt mij hier geen sprake te zijn.
5. Het middel slaagt.
6. Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de strafoplegging en in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Zie HR 16 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0055. Zie ook HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0912, waarin terugwijzing volgde.