Conclusie
eerste middelbetreft het oordeel van de rechtbank dat de Gemeente heeft voldaan aan haar onderhandelingsplicht ingevolge art. 17 Ow Pro (rov. 2.5.3).
ten overvloede- nog ingegaan op betogen van [eiser] c.s. met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel en de dreiging waaronder [eiser] c.s. bij de onderhandelingen zou hebben gestaan doordat een voorkeursrecht ingevolge de Wet voorkeursrecht gemeenten op de te onteigenen grond lag. De klachten in nr. 7 zijn gericht tegen het antwoord van de rechtbank op die betogen, en kunnen dus bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
tweede middelbetreft het debat over de vraag naar de noodzaak van de onteigening in verband met de urgentie van de realisering van het bestemmingsplan ter plaatse van het onteigende. De Kroon heeft zich in het onteigeningsbesluit van 16 oktober 2013 uitgelaten over de door [eiser] c.s. naar voren gebrachte zienswijze dat de onteigening prematuur is omdat op de te onteigenen percelen geen woningen maar openbare groenvoorzieningen zullen worden gerealiseerd die pas in de verre toekomst zullen worden ontwikkeld als de woningen zullen worden uitgegeven. Die zienswijze is verworpen omdat de Kroon op grond van mededelingen van de Gemeente tijdens de hoorzitting [3] voldoende aannemelijk achtte dat binnen een termijn van vijf jaar een aanvang zal worden gemaakt met het werk en/of de werkzaamheden waarvoor de onteigening noodzakelijk is, waaraan de Kroon nog toevoegde dat gebleken is dat de gronden van [eiser] c.s. deel uitmaken van de groene buffer De Kreek, die noodzakelijk is voor de waterhuishouding en waarvan de aanleg voorzien wordt in 2014. Nadat [eiser] c.s. in de gerechtelijke onteigeningsprocedure opnieuw de noodzaak en urgentie van de onteigening hadden betwist heeft de rechtbank geoordeeld (rov. 2.6.3) dat de Kroon in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de Gemeente binnen vijf jaar een begin zal maken met de uitvoering van het werk en/of de werkzaamheden waarvoor onteigening noodzakelijk is en dat dus sprake is van de voor onteigening vereiste urgentie.
ex tunctoetsing van de onteigeningstitel (vaste rechtspraak, vgl. HR 9 februari 2000, NJ 2000/418, ECLI:NL:HR:2000:AA4852, NJ 2000/418 met noot PCEvW. Strijpse Kampen/gemeente Eindhoven). Uw Raad oordeelde in hetzelfde arrest dat voor een zelfstandige beoordeling door de onteigeningsrechter van de noodzaak tot onteigening
naar het tijdstip van zijn uitspraakslechts plaats is indien hetgeen de gedaagde aanvoert met betrekking tot de noodzaak van onteigening, zo dat juist wordt bevonden, meebrengt dat de onteigening, in het licht van na (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de onteigenende partij, in strijd is met het recht omdat die niet (meer) geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt of omdat ten gevolge van gewijzigde inzichten met betrekking tot de uitvoering van een bestemmingsplan of enig ander aan de onteigening ten grondslag liggend besluit of plan niet (meer) kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering van dat plan. Het middel klaagt niet dat de rechtbank een betoog van [eiser] c.s. van die strekking heeft gepasseerd.