Conclusie
1.[eiseres 1],
[eiseres 2],
[eiser 3],
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 2ziet op de mededelingsplicht in verband met de onregelmatige huurbetalingen en de betalingsachterstand, wat aan de orde is in rov. 5.14.
subonderdeel 1.5veronderstelt dat het hof heeft geoordeeld dat de informatie dat sprake is van een bijzondere wijze van huurbetaling ongeacht de overige omstandigheden van het geval (altijd) aan de koper van een beleggingspand moet worden meegedeeld, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Een dergelijk oordeel heeft het hof niet gegeven. het hof heeft zijn oordeel gegrond op de omstandigheden van het onderhavige geval.
subonderdeel 1.5klaagt dat het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd is, omdat de betaalwijze impliceerde dat de huur feitelijk (door verrekening met aan Palazzo verschuldigde bedragen voor leveringen) werd voldaan en er ten tijde van de verkoop geen huurachterstanden bestonden, faalt het eveneens. Het betoog miskent dat het hof zijn oordeel in rov. 5.11 en 5.12 juist heeft doen steunen op de wijze van betaling. Bovendien heeft het hof de aanwezigheid van een betalingsachterstand geconstateerd (rov. 5.14, waartegen onderdeel 2 is gericht).
subonderdeel 1.5klaagt dat het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd is, omdat niet valt in te zien dat [eiseres 1] Vano had moeten informeren over het bestaan van een rekening-courantverhouding tussen [eiseres 1] en Palazzo, faalt het omdat het oordeel van het hof niet berust op deze omstandigheid als zodanig, maar op de verwevenheid van de betrokken partijen en het feit dat ook de huurbetalingen via deze rekening-courantverhouding liepen. Het hof heeft de betaling door middel van verrekening onder deze omstandigheden aangemerkt als een bijzondere wijze van betaling van de huur.
subonderdeel 2.2veronderstelt dat het hof heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een (van de) huurder(s) van een verkocht beleggingspand een huurachterstand heeft, voor de koper van dat pand zodanig relevante informatie is, dat deze informatie ongeacht de overige omstandigheden van het geval (altijd) aan de koper moet worden meegedeeld, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Een dergelijk oordeel heeft het hof niet gegeven. Het hof heeft zijn oordeel gegrond op de omstandigheden van het onderhavige geval.
Onderdeel 4ziet op de mededelingsplicht in verband met de betalingsachterstand, wat aan de orde is in rov. 5.17.
subonderdeel 3.1is onbegrijpelijk dat het hof in rov. 5.16 wijst op de enkele mededeling van (de makelaar [betrokkene 4]) van [eiseres 1] dat Sport Studio ‘een startende onderneming’ is. [betrokkene 4] heeft namelijk ook meegedeeld dat [eiseres 1] ‘enige coulance betrachtte met de huur’ jegens Sport Studio en ‘hulp heeft gegeven bij de verbouwingskosten’. Volgens de klacht kan daarmee de beslissing dat [eiseres 1] ook in zoverre haar mededingingsplicht heeft geschonden geen stand kan houden.
subonderdeel 4.1is onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat [eiseres 1] geen mededeling heeft gedaan van de huurachterstand van Sport Studio, omdat in de mededelingen van [betrokkene 4] dat jegens Sport Studio ‘coulance’ werd betracht met de huur onmiskenbaar besloten ligt dat (mogelijk toegelaten wordt dat) achterstanden in de betaling van de huur ontstaan.
Subonderdeel 4.2voegt daaraan toe dat het hof had moeten reageren op het verweer van [eiseres 1], dat Vano een onderzoeksplicht had, gelet op hetgeen is uiteengezet bij de subonderdelen 3.2-3.5.
subonderdeel 4.3is onbegrijpelijk het oordeel dat sprake was van een zodanige huurachterstand dat daarover mededeling gedaan had moeten worden.
Er zat wel eens een maand tussen, maar die huur is dus wel door mij voldaan over 2007, althans goeddeels.”). In een en ander heeft het hof kennelijk aanleiding gevonden om ter zitting te informeren naar het al dan niet bestaan van een huurachterstand. Ter zitting heeft [eiseres 1] erkend dat er ‘een of twee maanden’ huurachterstand was.
subonderdeel 6.3heeft het hof in rov. 5.19 en 5.20 miskend dat de enkele omstandigheid dat een professionele, ter zake deskundige en ervaren koper van een verhuurd beleggingspand heeft gedwaald omtrent de gegoedheid van de huurders nog niet de conclusie rechtvaardigt dat tussen de dwaling en de totstandkoming van de koopovereenkomst causaal verband bestaat, althans indien de koper geen enkele vraag heeft gesteld over de financiële gegoedheid van de huurders en dienaangaande ook geen nader onderzoek heeft ingesteld ondanks, kort gezegd, de in de subonderdelen 1.1, 1.2 en 3.1 bedoelde mededelingen van de makelaars. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is zijn beslissing omtrent het bestaan van causaal verband onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
subonderdeel 6.4besproken. Volgens dit subonderdeel is onjuist dan wel onbegrijpelijk dat het hof in rov. 5.20 ingaat op de verhouding tussen de mededelingsplicht en de onderzoeksplicht, omdat een en ander niet speelt bij het causale verband tussen de onjuiste voorstelling van zaken en het sluiten van de overeenkomst. Zoals uit het voorgaande bleek, reageert het hof hiermee slechts op een betwisting van het causale verband door [eiseres 1]. Het subonderdeel faalt.
subonderdeel 6.5de voorgaande klachten niet herhaalt, betoogt het nog dat de overweging van het hof dat Vano met betrekking tot huurder Stijlgroep Twente aanvullende garanties heeft verlangd, niet kan dienen ter nadere onderbouwing van zijn beslissing omtrent het bestaan van causaal verband. De klacht mist belang in het licht van de voorgaande klachten omdat, zoals het subonderdeel ook aangeeft, het hier een nadere motivering van het hof betreft. De twee andere gronden die aan de orde waren in subonderdeel 6.3 dragen reeds de beslissing van het hof dat er sprake is van causaal verband.