ECLI:NL:PHR:2014:2199
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wettelijke rente over wettelijke verhoging in arbeidsgeschil en matigingsbevoegdheid rechter
De zaak betreft een ex-werknemer die na een eerdere procedure waarin een wettelijke verhoging van 50% op achterstallig loon was toegekend, in een aparte procedure wettelijke rente over die verhoging vordert. De kantonrechter en het hof Amsterdam wezen deze vordering af omdat deze niet in de eerdere procedure was ingesteld. De Hoge Raad bevestigt dat het mogelijk is om naast de wettelijke verhoging ook wettelijke rente te vorderen, maar dat deze vorderingen gelijktijdig moeten worden ingesteld om onredelijke cumulatie te voorkomen en de rechter de mogelijkheid te geven zijn matigingsbevoegdheid effectief uit te oefenen.
De Hoge Raad overweegt dat de wettelijke verhoging een prikkel is voor tijdige betaling, terwijl de wettelijke rente schadevergoeding betreft. De matigingsbevoegdheid van de rechter op grond van art. 7:625 lid 1 BW Pro maakt het noodzakelijk dat rentevorderingen over de verhoging niet in een separaat geding kunnen worden ingesteld. Daarnaast wijst de Hoge Raad op het belang van proceseconomie en rechtszekerheid. Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en de motivering voldoende is.
Deze uitspraak verduidelijkt dat werknemers in arbeidsgeschillen hun vorderingen tot wettelijke verhoging en de daarbij behorende wettelijke rente gelijktijdig moeten indienen, om te voorkomen dat de rechter niet effectief kan matigen en onredelijke cumulatie ontstaat.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat wettelijke rente over een eerder toegekende wettelijke verhoging niet in een aparte procedure kan worden gevorderd en wijst het cassatieberoep af.