Conclusie
“overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden”,veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, een en ander onder aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van vijf jaren.
eerste middelkomt op tegen ’s hofs bewezenverklaring van schuld in de zin van roekeloosheid.
al snel” sprake van roekeloosheid. [2]
NJ2014/25 – het volgende vooropgesteld:
doorgaans niet” kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen, leggen naar het oordeel van de minister ‘rijden onder invloed’ en ‘veel te hard rijden’ veel gewicht in de schaal. [7] De ruimte tussen de opvattingen van de minister en het oordeel van de Hoge Raad komt m.i. ook tot uitdrukking in de omschrijving van roekeloosheid. Naar de minister zijn wetsvoorstel toelichtte, doet roekeloosheid zich voor in die gevallen waarin sprake is van
zeeronvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen
onaanvaardbarerisico's zijn genomen. De Hoge Raad overweegt daarentegen dat het moet gaan om een
buitengewoononvoorzichtige gedraging die een
zeerernstig gevaar in het leven heeft geroepen. Het kan zijn dat ik meer nuances zie dan er werkelijk zijn, maar ik meen hierin te ontwaren dat de Hoge Raad de lat voor het bewijs van deze zwaarste vorm van culpa iets hoger heeft gelegd dan de minister daadwerkelijk voor ogen heeft gestaan. Tot dusver liet de Hoge Raad slechts in twee aan hem in cassatie voorgelegde gevallen de bewijsvoering inzake roekeloosheid in stand. Deze zaken worden gekenmerkt door het ‘kat-en-muisspel’ [8] en de ‘snelheidswedstrijd’ [9] die de verdachten met andere automobilisten speelden tussen de overige weggebruikers.
buitengewoon onvoorzichtigrijgedrag heeft vertoond, dat zijn rijgedrag een
zeer ernstig gevaarin het leven heeft geroepen, en dat de verdachte zich daarvan bewust was.
dateen dergelijk ongeval zich toen en daar zou voordoen. Daarvan is uiteraard geen cijfermateriaal voorhanden. Niettemin valt hierover op basis van ’s hofs bewijsvoering wel het een en ander op te merken. Het gaat mij in dit verband met name om de periode dat het verkeerslicht bestemd voor het verkeer uit de rijrichting van de verdachte rood licht uitstraalde alvorens het ongeval plaatsvond. Uit de bewijsmiddelen waarmee het hof de bewezenverklaring heeft geschraagd, valt namelijk rechtstreeks af te leiden dat dit verkeerslicht reeds een aanzienlijk aantal seconden op rood stond voordat de verdachte het verkeerslicht passeerde. De getuige [getuige 2] reed in dezelfde rijrichting als de verdachte en had zijn voertuig voor het rode licht al tot stilstand gebracht op de rechter rijstrook voor het verkeer in rechtdoor gaande richting. Hij verklaarde hierover (ik put uit bewijsmiddel 11):
alleredengevende feiten en omstandigheden uitdrukkelijk moeten worden opgesomd en dat de inhoud van de bewijsmiddelen daartoe niet volstaat, zou in het vigerende bewijsrecht overigens ook een noviteit opleveren.
buitengewoon onvoorzichtigrijgedrag heeft vertoond, dat zijn rijgedrag een
zeer ernstig gevaarin het leven heeft geroepen en dat de verdachte zich daarvan bewust is geweest, niet onbegrijpelijk. Wat mij betreft blijft dit oordeel in stand en faalt het eerste middel.
tweede middelklaagt over de motivering van de strafoplegging.