Conclusie
1.Procesverloop
2.Inleiding
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2.2van het middel. Met de daar geformuleerde rechtsklacht proberen [eiser] c.s. de vraag of er in de omstandigheden van het onderhavige concrete geval een (voldoende) objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid van de deskundige [betrokkene 1] bestaat om te twijfelen aan zijn onpartijdigheid, te verjuridiseren. De klacht somt een aantal omstandigheden van het geval op en wil ingang doen vinden dat er een (door de rechtbank geschonden) rechtsregel bestaat die meebrengt dat in dit geval geen andere uitkomst mogelijk was dan dat de deskundige [betrokkene 1] moest worden vervangen. Zo’n regel bestaat volgens mij niet. Het EHRM heeft, in de zaak Sara Lind [10] , tot uitdrukking gebracht (nr. 47) dat
onder bepaaldeomstandigheden een gebrek aan onpartijdigheid aan de zijde van een door de rechter benoemde deskundige een schending kan meebrengen van de “equality of arms”, maar ook dat (nr. 48)
aan de vrees van een procespartij voor partijdigheid van een deskundige een zeker gewicht toekomt, maar dat beslissend is of de twijfels die door de schijn gewekt worden, objectief gerechtvaardigd zijn.Dat is een open norm die geen scherpe grens aanwijst, maar waaraan de rechter elk afzonderlijk geval met inachtneming van alle bijzonderheden, moet toetsen. Die beoordeling kan, verweven als die is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. [11]
onderdeel 2.3beroept het middel zich op het uitblijven van een gemotiveerde betwisting door de Staat van de stelling van [eiser] c.s. dat bij hen de schijn van partijdigheid was gewekt, zodat de rechtbank, volgens [eiser] c.s., die schijn als vaststaand had moeten aannemen en zich geen oordeel had mogen vormen over de feitelijke vraag of de schijn van partijdigheid was gewekt, maar slechts over de vraag of die schijn objectief te rechtvaardigen was. Ik begrijp niet wat [eiser] c.s. met deze klacht willen bereiken. De rechtbank heeft, onmiskenbaar, aangenomen dat er een schijn van partijdigheid was [12] , en heeft vervolgens, op basis van de omstandigheden van het geval, onderzocht of de twijfels die door die schijn gewekt zijn, objectief gerechtvaardigd zijn. Wat doet het er nog toe of de rechtbank
zelfstandigtot het oordeel was gekomen dat er een zekere schijn van partijdigheid was of
bij gebreke van tegenspraak? [eiser] c.s. hebben bij deze klacht geen belang.
onderdeel 2.4) worden toegegeven dat de omstandigheid dat de rechtbank zelf in eerdere zaken waarin [betrokkene 1] als deskundige is opgetreden niets gemerkt heeft van diens eventuele partijdigheid, weinig gewicht in de schaal lijkt te kunnen werpen. Maar om te zeggen dat de rechtbank de goede reputatie die [betrokkene 1] bij de rechtbank geniet in het geheel niet (op deze wijze) mocht meewegen bij haar afweging, gaat mij te ver.
onderdelen 2.5 en 2.6geformuleerde klachten zijn mij niet duidelijk geworden. [eiser] c.s. betogen dat de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid reeds voldoende had moeten zijn om de betreffende deskundige te vervangen. Echter de rechtbank heeft nu juist geoordeeld dat er géén objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid is. Zij oordeelde immers (in haar vonnis van 6 maart 2013, rov. 2.2.5) “dat in de specifieke omstandigheden van het geval ook niet kan worden aangenomen dat thans bij [eiser] c.s. naar objectieve maatstaven de gerechtvaardigde schijn is gewekt dat de deskundige niet onpartijdig of niet onafhankelijk zijn werk als deskundige zou (kunnen) uitvoeren.” De klachten missen dus, voor zover duidelijk, feitelijke grondslag.
nietheeft geoordeeld dat [eiser] c.s. te laat zijn gekomen met hun verzoeken om vervanging van de deskundige, maar die verzoeken ten gronde heeft beoordeeld. De vraag of de rechtbank zich met hantering van de door Uw Raad in zijn arrest van 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1067, NJ 2014/310, gegeven maatstaf wellicht had kunnen of moeten onthouden van een beoordeling ten gronde, is in cassatie niet aan de orde.
onderdeel 2.9ligt in het verlengde van de andere klachten van klachtengroep 2, en deelt het lot daarvan.
Onderdeel 3.2betoogt, zoals ik dat onderdeel begrijp, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet kan inzien dat de noodzakelijke hydrologische ingrepen, als omschreven in het rapport van Royal Haskoning tot een aanvullende schadeloosstelling moeten leiden. Het onderdeel licht deze klacht toe met het verwijt aan de rechtbank dat die de uit het arrest van Uw Raad van 20 februari 2004 in de zaak Railinfrabeheer/Sweeres [18] volgende consequenties heeft miskend. In de zaak die tot dat arrest leidde was een stuk van een tuin onteigend waarover de spoorbanen van de Betuweroute zouden worden aangelegd. In discussie was de waardevermindering van de niet onteigende grond ten gevolge van de te verwachten geluidsoverlast door het geraas van treinen over de Betuweroute. De vraag was of bij de bepaling van die waardevermindering moest worden uitgegaan van alle treingeraas dat op het niet-onteigende hoorbaar zal zijn of alleen van het geraas dat de treinen zullen maken terwijl zij over het onteigende rijden.
eerste klacht van onderdeel 3.4, die een variant of herhaling is van de klacht van onderdeel 3.3.
tweede klacht van onderdeel 3.4, te weten de rechtsklacht dat een afdoening van te verwachten schade op basis van de aanname dat de Staat die schade te zijner tijd wel zal vergoeden in strijd is met regel dat de onteigeningsrechter alle schade die de onteigende rechtstreeks en noodzakelijk als gevolg van de onteigening lijdt, (in één vonnis) dient vast te stellen.
Omrijschade
gemiddelderijsnelheid van 25 km/u. Die gemiddelde snelheid is kennelijk in overeenstemming met de werkelijkheid.”
Omrijschade
onderdeel 4.1volgt
onderdeel 4.2met een aanval op het door de rechtbank in het voetspoor van de deskundigen aangenomen uitgangspunt dat de de omrijschade berekend kan worden met inachtneming van een gemiddelde rijsnelheid van de trekker van 25 km per uur. Het onderdeel klaagt dat de onteigeningsrechter hiermee zou aanvaarden dat [eiser] c.s. op sommige delen van de route naar de nieuw verworven percelen de snelheidslimiet voor tractors van 25 km per uur [24] overschrijden. Een dergelijke presumptie van niet-legaal handelen van de onteigende mag volgens het onderdeel niet aan de vaststelling van de schadeloosstelling ten grondslag worden gelegd, zodat het oordeel van de rechtbank in strijd met het recht zou zijn. Het is mooi dat [eiser] c.s. dit principiële punt aan Uw Raad hebben willen voorleggen. Het heeft in ieder geval al geleid tot een lezenswaardige gedachtewisseling in de schriftelijke toelichting van de mrs. Scheltema en Wiegerink en de repliek van mr. De Groot.
onderdeel 4.3, dat de klacht van onderdeel 4.2 in de gestalte van een motiveringsklacht herhaalt.
onderdeel 4.5af, waarin [eiser] c.s. afdingen op de betekenis die de rechtbank toekent aan de nadere opstelling van de partijdeskundige Meeuwsen.