De Staat stelt één middel voor, met volgens de toelichting zeven onderdelen:
1. Met zijn oordeel dat toewijzing te ver strekt zolang de identificatie fiscaalrechtelijk niet onherroepelijk vast staat, miskent het Hof dat de voorzieningenrechter, behoudens bijzondere omstandigheden, gebonden is aan het oordeel van de fiscale bodemrechter (“beginsel van bindende kracht/formele rechtskracht”). Dat cassatieberoep is ingesteld tegen de uitspraak van de belastingkamer is niet zo’n bijzondere omstandigheid. De belastingkamer van het Hof had in de fiscale procedure [verweerder]’s identificatie als rekeninghouder reeds correct geoordeeld.
2. (Kennelijk subsidiair:) de voorzieningenrechter moet zijn uitspraak afstemmen op de uitspraak van de fiscale bodemrechter, ongeacht (i) of het gaat om een tussen- of einduitspraak, (ii) of dat oordeel vervat is in de overwegingen of in het dictum en (iii) of het al dan niet in kracht van gewijsde is gegaan; dit is slechts anders in hier niet relevante gevallen, zoals evidente misslagen van de belastingrechter of relevante wijziging van omstandigheden na diens uitspraak. De Staat wijst op HR NJ 2001/407en HR NJ 2011/304.
3. In kort geding is niet vereist dat de juistheid van de feitelijke stellingen van de eiser vast staat; aannemelijkheid is voldoende. De voorzieningenrechter is niet geboden aan het bewijsrecht in bodemprocedures; evenmin hoeft hij te beschikken over een (onherroepelijk) oordeel van de fiscale rechter. Het hof kon beoordelen of [verweerder] willens en wetens heeft geweigerd beschikbare informatie te verstrekken en zijn voorlopige oordeel daarover geven.
4. ‘s Hofs belangenafweging bouwt voort op de hierboven bestreden en volgens de Staat onjuiste oordelen, zodat ook de belangenafweging ondeugdelijk is.
5. In het licht van de regel van bindende kracht c.q. afstemming is ‘s Hofs belangenafweging niet begrijpelijk: dat de uitkomst van de fiscale cassatieprocedure onzeker is, brengt niet mee dat toewijzing van de vordering van de Staat te ver strekt. Het oordeel van twee instanties fiscale bodemrechters is onvoldoende meegewogen.
6. (Subsidiair:) zelfs als de regels van bindende kracht c.q. afstemming niet zouden gelden, had het Hof zich moeten richten naar de meest waarschijnlijke uitkomst van het cassatieberoep, althans had hij die waarschijnlijke uitkomst mee moeten wegen.
7. (Kennelijk eveneens subsidiar:) als de regel van bindende kracht c.q. afstemming niet geldt, had het Hof moeten meewegen dat [verweerder] niet heeft gemotiveerd waarom het oordeel van de belastingkamer over zijn identificatie onjuist zou zijn, terwijl de Staat wel heeft gemotiveerd waarom het oordeel van die belastingkamer over zijn identificatie juist is.