Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
Hutten-Czapskavan het EHRM, aangezien hogere waardering tot een belastingheffing leidt die het niet structureel mogelijk maakt om een ‘decent profit’ te maken. De bovenwoning moet in box 3 naar de waarde in het economische verkeer in aanmerking worden genomen, omdat het anders niet mogelijk is om een positief exploitatieresultaat te behalen. Het gezamenlijke effect van de stapeling van vier ficties (fictief rendement, fictieve vrije waarde, fictieve leegwaarderatio en fictief waarderingsmoment) en de huurwetgeving brengt volgens belanghebbende mee dat de wetgever buiten de hem toekomende ‘wide margin of appreciation’ is getreden. De waarde in het economische verkeer van de bovenwoning bedraagt volgens belanghebbende 10 tot 15 keer de brutojaarhuur, wat in casu leidt tot een waardebepaling van circa € 80.000.
4.De relevante regelgeving
Bent u bekend met de signalen uit de praktijk, dat voor veel particuliere verhuurders van woningen de besluitswijziging per 1-1-2010 leidt tot een extreme belastingverhoging, zoals te lezen is in het artikel ‘Hogere waardering van box 3 vastgoed in 2010?’ [12]
5.Relevante rechtspraak van het EHRM
6.Relevante rechtspraak van de Hoge Raad over het eigendomsrecht
Hutten-Czapskameebrengt dat van de eigenaar van verhuurde woningen geen rioolrecht mag worden geheven voor zover dat recht niet aan de huurders kan worden doorberekend. De Hoge Raad beantwoordde deze vraag ontkennend, daartoe overwegende:
Nobel –dat het Nederlandse systeem in overeenstemming is met het recht van eigendom: [25]
7.Beschouwing
lawfulness), (ii) een legitieme doelstelling in het algemeen belang nastreeft (het vereiste van een
legitimate aim), en (iii) er een redelijke en proportionele verhouding bestaat tussen het legitieme doel in het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten (
fair balance). Van een redelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keus van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever op belastinggebied een ruime beoordelingsvrijheid toe.
lawfulnessveronderstelt dat het toepasselijke nationale recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening is. Het Hof heeft in cassatie onbestreden geoordeeld dat de regeling in art. 5.20, lid 3, Wet IB 2001 juncto art. 17a UBIB in overeenstemming is met deze vereisten. Het vereiste van
lawfulnessbrengt verder mee dat iedere maatregel die het ongestoorde genot van eigendom aantast vergezeld moet gaan van procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid bieden tot effectieve betwisting van de effectiviteit van die maatregel. [28] Bij de beoordeling van de
lawfulnessvan een belastingmaatregel geldt dat een grote vrijheid toekomt aan de overheid. [29]
unlawful.
lawfulness.
fair balance). Bij de proportionaliteitstoets beschikt de overheid op belastinggebied over een ruime beoordelingsvrijheid. Er is niet sprake van een
fair balanceals een betrokkene wordt geconfronteerd met een
individual and excessive burden.
Hutten-Czapska, Nobel) en de ter zake van de verhuurde woning verschuldigde
property taxte voldoen (
Urbárska, Lindheim, Nobel). Verder moet er na het voldoen van deze vaste lasten een redelijke winst (
decent profit) overblijven voor de verhuurder (
Hutten-Czapska,
Nobel,
Bittó).
Nobel(zie hiervoor in 5.7) achtte het EHRM van belang dat een van de verhuurders de woning in verhuurde staat had gekocht. In zijn noot in EHRC 2013/271 bij genoemd arrest toonde Stevens zich kritisch over deze overweging:
8.Beoordeling van het middel van de Staatssecretaris
fair balance. De berekening van het nettorendement van de bovenwoning door belanghebbende (zie 2.9) laat volgens het Hof zien dat, zelfs indien wordt geabstraheerd van de daarin gehanteerde berekening van de hypotheeklasten/financieringskosten, elk jaar sprake is van een omvangrijk negatief rendement. Dit brengt het Hof tot het oordeel dat op belanghebbende een buitensporige last wordt gelegd, zodat de regeling in strijd is met art. 1 EP Pro. Het middel is onder meer tegen dit oordeel gericht.
Grand Chambervan het EHRM in de zaak
Hutten-Czapska(zie 5.3) kan worden opgemaakt dat de omstandigheid dat een betrokkene niet in staat is om een
decent profitte behalen een relevante omstandigheid is bij de beoordeling van de
fair balance. Genoemd arrest brengt evenwel niet mee dat art. 1 EP Pro zonder meer is geschonden als een verhuurder als gevolg van overheidshandelen niet in staat is om een decent profit te behalen met diens investering. Het EHRM heeft in genoemd arrest overwogen: “the respondent State must above all, through appropriate legal and/or other measures, secure in its domestic legal order a mechanism maintaining a fair balance between the interests of landlords, including their entitlement to derive profit from their property, and the general interest of the community – including the availability of sufficient accommodation for the less well-off – in accordance with the principles of the protection of property rights under the Convention.” Bij de beoordeling van de proportionaliteit van de regelgeving legt de omstandigheid dat geen
decent profitwordt behaald een zeker gewicht in de schaal, maar van doorslaggevend belang is het niet. Waar het uiteindelijk om draait is of – om met het EHRM te spreken – “in the applicant’s specific circumstances, the application of the tax law imposed an unreasonable burden on him or fundamentally undermined his financial situation and thereby failed to strike a fair balance between the various interests involved.” [30]
fair balance,zodat de heffing van inkomstenbelasting over de bovenwoning in strijd is met art. 1 EP Pro. ’s Hofs daarmee overeenkomende oordeel acht ik juist.
9.Beoordelingen van de middelen van belanghebbende
Hutten-Czapskade waarde zodanig moeten vaststellen dat structureel een positief exploitatieresultaat mogelijk is. Dit had het Hof volgens belanghebbende kunnen bereiken door de waarde in het economische verkeer van de woning te bepalen op 10 tot 15 maal de brutojaarhuur, zoals te doen gebruikelijk was in de periode van 2001 tot 2010.
Hutten-Czapskaniet kan worden afgeleid dat een verhuurder recht heeft op een
decent profit(zie 8.4). Het Hof heeft voor de waardering van de bovenwoning aansluiting gezocht bij de hoofdregel van art. 5.19 Wet IB 2001. Daarmee is de regelgeving ontdaan van de ficties van de WOZ-waarde en de leegwaarderatio. Wel wordt de belasting nog steeds berekend over een verondersteld rendement van 4%. De heffing van inkomstenbelasting over een verondersteld rendement dat wordt berekend over de waarde in het economische verkeer van het saldo van de bezittingen en schulden acht ik als zodanig niet in strijd met art. 1 EP Pro. Ik meen dat de wetgever met de keuze voor een forfaitaire vermogensrendementsheffing in beginsel is gebleven binnen de ruime beoordelingsvrijheid die hem op belastinggebied toekomt. Steun voor die opvatting vind ik het arrest HR BNB 2011/297 [34] , waarin de Hoge Raad oordeelde dat een prijs die was gewonnen met de oudejaarsloterij tot de rendementsgrondslag behoorde aan het einde van het kalenderjaar. In genoemd arrest overwoog de Hoge Raad ten overvloede dat de onderhavige box 3 heffing geen inbreuk vormt op art. 1 EP Pro. Dit heeft mijns inziens ook te gelden voor de heffing van inkomstenbelasting over het rendement dat is berekend over de waarde in het economische verkeer van de bovenwoning. De verschuldigde inkomstenbelasting is weliswaar (nog steeds) hoog te noemen vergeleken met de brutohuur op jaarbasis, maar leidt mijns inziens niet (meer) tot een buitensporige last voor belanghebbende. Als de financieringskosten (die door de Inspecteur en de Staatsecretaris worden betwist) buiten beschouwing blijven, behaalt belanghebbende zelfs een positief exploitatieresultaat. Een belangrijk gegeven bij de beoordeling van de proportionaliteit vind ik verder dat de bovenwoning op basis van de maatstaf van het Hof niet ongunstiger wordt behandeld dan andere vermogensbestanddelen in box 3. Gelet op het voorgaande meen ik dat de middelen 1, 2 en 4 falen.