Conclusie
“opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast”, 2.
“overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994”en 3.
“als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden”, veroordeeld tot onderscheidenlijk 1. een werkstraf van twintig uren, te vervangen door tien dagen hechtenis, 2. een werkstraf van tien uren, te vervangen door vijf dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie maanden, en 3. een werkstraf van tien uren, te vervangen door vijf dagen hechtenis.
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte tot een bewezenverklaring van het eerste feit is gekomen, althans dat het hof het bewezenverklaarde niet heeft kunnen kwalificeren als overtreding van art. 184, eerste lid Sr.
Ingevolgehet wettelijke voorschrift van art. 160, eerste lid, WVW 1994 is de opsporingsambtenaar derhalve bevoegd de bestuurder van een motorrijtuig een bevel tot stilhouden (een stopteken) te geven. Daarmee is (in elk geval naar de letter) voldaan aan het betreffende bestanddeel van art. 184, eerste lid, Sr, dat eist dat het bevel of de vordering “
krachtens”wettelijk voorschrift is gedaan. ‘Krachtens’ en ‘ingevolge’ zijn synoniemen. [5]
uitdrukkelijkebevelsbevoegdheid inhoudt, kan het bestaan van zulk een bevelsbevoegdheid dan wellicht
medeworden afgeleid uit het vierde lid van ditzelfde artikel?
(volgt: kentekenbewijs);
(volgt: rijbewijs);
(volgt: getuigschrift vakbekwaamheid bestuurders);
(volgt: verlening van ontheffing).
NJ2013/162 brengt ons op dit punt niet verder. [9]
(Thans 177; cursivering van mijn hand.)(…) ”
(thans 178, D.A.)
later art. 16) te voldoen opzettelijk, dan is in de strafbedreiging reeds bij art. 184 Sr Pro. voorzien. Intusschen is ook onopzettelijk strafbaar handelen denkbaar, bijv. wanneer bewijzen niet kunnen worden vertoond, doordat zij zijn achtergebleven bloot tengevolge van misverstand of vergeten. Voor zulke gevallen wordt enkel geldboete bepaald.”
logischespecialis, concludeert Lindenberg, [16] na bestudering van deze zelfde wetsgeschiedenis, dat art. 184 Sr Pro wel degelijk van toepassing is wanneer een bestuurder
opzettelijkgeen gehoor geeft aan verkeersbevelen. Hij meent dus dat de combinatie van art. 160, 177 en 178 WVW 1994 ook geen
systematischespecialis is van art. 184 Sr Pro. Volgens Lindenberg heeft de wetgever bij het ontwerpen van de WVW 1994 “
de overtredingsvarianten opgesteld om ook ongewenste, doch niet-opzettelijke gevallen te kunnen bestraffen”. Met name uit de oudere wetgevingsgeschiedenis zou zelfs volgen dat “
de wetgever een koppeling met art. 184 Sr Pro duidelijk voor ogen stond”.Hij beroept zich vervolgens ook op een voorspelling gedaan in Noyon/Langemeijer/Remmelink: “
Bestudering van de wetsgeschiedenis, zo wordt daar gesteld, zal het vermoeden dikwijls bevestigen dat de wetgever in dit soort gevallen een lichtere variant heeft willen creëren ‘zonder dat nochtans art. 184 Sr Pro helemaal zou worden uitgeschakeld’.”. [17]
tweede middelvalt uiteen in twee deelklachten. Ten eerste klaagt het middel dat het hof verzuimd heeft het verkorte arrest binnen de wettelijke termijn aan te vullen met de bewijsmiddelen. Ten tweede klaagt het middel dat de redelijke termijn - te weten de inzendtermijn - als bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden.