Conclusie
eerste middelhoudt in dat de bewijsmiddelen niet redengevend zijn voor het bewijs van het onder 1 meest subsidiair en 2 bewezenverklaarde “telkens redelijkerwijs moest vermoeden”.
.Een proces-verbaal van verhoor van politie Zeeland, Divisie Recherche, Recherche Team 1 Wal, nr. PL193C 2010088723-42, blz. 70-73 (map 1), in de wettelijke vorm opgemaakt en welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL193C 2010088723, gesloten op 28 maart 2011, doorgenummerde pagina's 1- 1506 (onderzoek IJzeren), voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van de verdachte:
tweede middelklaagt dat het Hof (onder meer) art. 420quater Sr en art. 350, 358 en 359 Sv heeft geschonden door schuldwitwassen bewezen te verklaren, zulks terwijl vaststaat dat het voorhanden hebben en omzetten van de bewuste voorwerpen afkomstig uit een eveneens bewezenverklaard en door verdachte zelf begaan misdrijf (schuldheling), niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen.
Stb. 2001, 606, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven, onder meer het volgende in:
b. De eigen aard van het witwassen en het belang van een aparte aanpak
zonderdat dit voor de bonafide deelnemers aan dat verkeer kenbaar is. Deze laatsten worden dus ongemerkt betrokken bij het handelen van criminelen. Anderen, die wel op de hoogte zijn, worden door de grote sommen geld waarom het gaat, in de verleiding gebracht om hun medewerking te verlenen aan de betrokken constructies door beschikbaarstelling van hun (financiële of juridische) expertise of door gebruikmaking van de gelegenheid die hun functie hun biedt. Hierbij kan worden gedacht aan medewerkers van financiële instellingen of ambtenaren belast met overheidstoezicht of subsidieverlening. In het uiterste geval zouden grootschalige witwashandelingen ertoe kunnen leiden dat van misdrijf afkomstig geld een machtsfactor wordt die de samenleving corrumpeert. Witwassen vormt dus een bedreiging voor de maatschappelijke orde.
derde middelhoudt in dat de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende met redenen is omkleed omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat sprake is geweest van het daadwerkelijk verhullen of verbergen van de sieraden.