Conclusie
eerste middelklaagt over de verwerping van het verweer dat de politieambtenaar niet bevoegd was om inzage van een identiteitsbewijs te vorderen. Het
tweede middelklaagt dat het oordeel van het Hof dat verbalisant [verbalisant 1] werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening onbegrijpelijk is. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
(1) De aangever van een bedrijfsinbraak heeft op verzoek van de politie telefonisch contact opgenomen met een adverteerder op Marktplaats, genaamd ‘[betrokkene]’, die de bij die bedrijfsinbraak gestolen velgen te koop aanbood.
(2) Na een gemaakte afspraak hebben de verbalisanten ter plaatse drie mannen bij de velgen in de voortuin van de woning zien staan.
(3) Deze drie mannen werden ambtshalve herkend als [betrokkene], [medeverdachte] en diens neefje.
(4) Bij de aanhouding van [betrokkene] zag een van de verbalisanten dat deze [betrokkene] oogcontact had met de verdachte en zijn oom waarop beiden wegliepen.
(5) Vervolgens zijn de verdachte en zijn oom staande gehouden teneinde hun identiteit vast te stellen.
(6) Verdachte heeft gezegd dat hij geen legitimatiebewijs bij zich had, dat hij zich niet wilde legitimeren en is vervolgens weggelopen. Daarop heeft verbalisant [verbalisant 1] verdachte bij zijn schouder vastgepakt teneinde hem staande te houden en aan te houden. Als reactie heeft verdachte zich verzet.
niet zonder meer(cursivering van mij, PV) op zijn plaats is. Daaruit volgt al dat niet in elke situatie waarin bij de ambtenaar die de vordering tot inzage wil doen van iemand de identiteit bekend is, de bevoegdheid tot identiteitscontrole niet op zijn plaats is. In de tweede plaats volgt uit de hiervoor onder 9 opgenomen Aanwijzing uitbreiding identificatieplicht dat een identiteit alleen ambtshalve bekend is wanneer de identiteit eerder aantoonbaar is vastgesteld op basis van een document als bedoeld in art. 1 Wid Pro en alle relevante gegevens bekend zijn, waaronder het BSN-nummer. Uit het door het Hof gebezigde proces-verbaal van bevindingen (bewijsmiddel 1) volgt dat de verbalisanten de verdachte hebben herkend als “het neefje” van de hen ambtshalve bekende [medeverdachte]. Dat het Hof gelet daarop kennelijk is uitgegaan van de situatie dat de identiteit van de verdachte niet bekend was bij de verbalisanten die de vorderingen tot inzage wilden doen, zoals bedoeld in de Aanwijzing uitbreiding identificatieplicht, is niet onbegrijpelijk. Aldus bezien geeft het oordeel van het Hof, ook in het licht van het gevoerde verweer, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.