ECLI:NL:RVS:2008:BG6783
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- D. Roemers
- M.A.A. Mondt Schouten
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onrechtmatige staandehouding in veiligheidsrisicogebied
De vreemdeling werd op grond van artikel 52, derde lid, van de Wet wapens en munitie gefouilleerd in een veiligheidsrisicogebied zonder dat er verdenking van een strafbaar feit bestond. De controle op zijn identiteit vond plaats zonder dat er een redelijk vermoeden van illegaal verblijf was, zoals vereist volgens artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de vreemdeling in het kader van strafrechtelijke bevoegdheden was aangehouden.
De Raad van State stelt vast dat de politieambtenaren niet bevoegd waren om de vreemdeling langer vast te houden en zijn identiteit te onderzoeken op basis van de Politiewet 1993, omdat het proces-verbaal geen feiten bevatte die dit rechtvaardigden. De onrechtmatigheid van de staandehouding maakt ook de daaropvolgende vreemdelingenbewaring onrechtmatig, omdat de belangen van de bewaring niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de bewaring opgeheven. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €6.160 en proceskosten van €1.288 aan de vreemdeling. De zaak benadrukt het belang van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf voor het toepassen van identiteitscontroles in veiligheidsrisicogebieden.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens onrechtmatige staandehouding en de Staat wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.