Conclusie
middelbehelst de klacht dat het Hof ten onrechte het verzoek van de raadsman om aanhouding van de behandeling van de zaak heeft afgewezen, althans die beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden wegens diefstal door twee of meer verenigde personen met braak. In hoger beroep verscheen de verdachte niet, terwijl zijn raadsman zonder expliciete machtiging op de zitting aanwezig was en verzocht om aanhouding van de behandeling. Het hof wees dit verzoek af omdat de raadsman niet tijdig van de zittingsdatum was op de hoogte gesteld en geen klemmend belang had aangetoond.
De Hoge Raad overweegt dat een verdachte het recht heeft om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, maar dat dit recht niet absoluut is. Indien de dagvaarding rechtsgeldig is betekend en de verdachte niet verschijnt, wordt vermoed dat hij vrijwillig afstand doet van zijn aanwezigheidsrecht. Het hof heeft terecht een belangenafweging gemaakt waarbij het belang van voortvarende rechtspleging zwaarder woog dan het belang van de verdachte om aanwezig te zijn of zijn raadsman te machtigen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de raadsman niet als zodanig erkend kon worden zonder machtiging, maar dat dit geen onjuiste rechtsopvatting oplevert voor de afwijzing van het aanhoudingsverzoek. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.