ECLI:NL:PHR:2014:2760

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2014
Publicatiedatum
22 januari 2015
Zaaknummer
13/05860
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 588 SvArt. 588a SvArt. 434 Sv
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onjuiste beoordeling rechtsgeldige oproeping verdachte

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte is veroordeeld voor diefstal met bedreiging en bedreiging met zware mishandeling. Centrale vraag is of de oproeping van verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2013 rechtsgeldig is betekend.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de oproeping rechtsgeldig was, terwijl na de betekening een nieuw adres van verdachte in het buitenland bekend werd. Het hof had het onderzoek ter terechtzitting moeten schorsen om de oproeping naar het nieuwe adres te kunnen sturen. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat een onderzoek ter terechtzitting geschorst moet worden als na betekening een nieuw adres bekend wordt.

De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep. De overige middelen van cassatie behoeven geen bespreking. De advocaat-generaal krijgt gelegenheid om zich uit te laten over de overige middelen bij de rolzitting.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onjuiste beoordeling van de rechtsgeldigheid van de oproeping.

Conclusie

Nr. 13/05860
Zitting: 2 december 2014
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 12 november 2013 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. ‘Diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” en 2. “Bedreiging met zware mishandeling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest en voorts – enkel ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde – tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent het inbeslaggenomen voorwerp en de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
Mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, heeft namens de verdachte drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de oproeping van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2013 rechtsgeldig is betekend, om vervolgens het verzoek tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting af te wijzen.
Na de terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2013, waarbij zowel de verdachte als diens raadsman aanwezig waren, is het onderzoek bij tussenarrest van 2 juli 2013 heropend, waarbij eveneens is bepaald dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2013 houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen en dat de aanwezige raadsman verklaart niet uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. Voorts houdt bedoeld proces-verbaal, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De oudste raadsheer deelt mondeling mede de inhoud van de stukken met betrekking tot de oproeping van verdachte.
De advocaat-generaal deelt daarop mede - zakelijk weergegeven -:
De oproeping had ook naar het adres in het buitenland moeten worden verstuurd, ook al is dat pas na de betekening van de oproeping ter griffie bekend geworden. Mijns inziens dient de behandeling te worden geschorst om dat alsnog te doen.
De raadsman van verdachte brengt naar voren - zakelijk weergegeven -:
Sinds de vorige zitting heb ik geen contact meer gehad met mijn cliënt. Zijn telefoon is afgesloten en zijn nieuwe adres in het buitenland is mij niet bekend. Niet uit te sluiten valt dat mijn cliënt al verhuisd was ten tijde van het versturen van de uitnodigingen van de reclassering. Ik verzoek om schorsing van het onderzoek ter terechtzitting teneinde in de gelegenheid te worden gesteld om mijn cliënt te contacteren.
De voorzitter deelt mondeling mede de inhoud van het proces-verbaal van het onderzoek terterechtzitting van 18 juni 2013, het tussenarrest van 2 juli 2013 en de retourzending van de opdracht tot reclasseringsadvies van 27 september 2013.
Na gehouden beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede - zakelijk weergegeven -:
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 588a van het Wetboek van Strafvordering is sprake van een geldige oproeping van verdachte.
Overigens ziet het hof geen reden om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen. Daarbij overweegt het hof dat verdachte sinds het onderzoek ter terechtzitting van 18 juni 2013, waarbij verdachte aanwezig is geweest, kennelijk niet heeft geïnformeerd naar de uitspraak van het hof en dat hij ook anderszins geen contact heeft opgenomen met zijn raadsman. Bij tussenarrest van 2 juli 2013 is het onderzoek heropend teneinde over de persoon van verdachte te worden voorgelicht. In verband hiermee is verdachte in de maanden augustus en september 2013 op verdachtes toen geldende GBA-adres uitgenodigd door de reclassering, maar hieraan heeft hij geen gehoor gegeven.
Het hof is anders samengesteld. Met instemming van de advocaat-generaal hervat het hof het onderzoek van de zaak in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van het uitspreken van het tussenarrest van 2 juli 2013.
De advocaat-generaal voert het woord, leest de vordering voor en legt die aan het hof over.
De voorzitter verklaart het onderzoek voor gesloten (…).”
6. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich
(i) een akte van uitreiking – gehecht aan het dubbel van de oproeping om ter terechtzitting van 29 oktober 2013 te verschijnen – waaruit blijkt dat op 4 september 2013 getracht is bedoelde oproeping op het adres [a-straat 1] te Utrecht te betekenen, maar dat dit niet gelukt is, omdat op het ingevulde adres niemand werd aangetroffen en dat ter plaatste een bericht van aankomst is achtergelaten waarin is vermeld dat de oproeping kan worden afgehaald op het in dat bericht genoemde (post)kantoor of politiebureau. De akte houdt voorts in dat de oproeping op 11 september 2013 is teruggezonden aan de afzender en op 16 september is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank, alsmede dat de oproeping op laatstgenoemde datum als gewone brief is verzonden naar het adres [a-straat 1] te Utrecht;
(ii) ID-Staten SKDB van 29 augustus 2013 en 16 september 2013 waaruit blijkt dat het GBA-adres van de verdachte sinds 29 april 2010 de [a-straat 1] te Utrecht is;
(iii) ID-Staten SKDB van 9 oktober 2013 en 28 oktober 2013 waaruit blijkt dat sinds 17 september 2013 het adres van de verdachte is de [b-straat 1] Genk in België.
7. Het middel is gelet op in hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR2004:AO9097 heeft overwogen, gegrond. In deze zaak achtte de Hoge Raad de verstekbehandeling nietig, omdat het hof het onderzoek ter terechtzitting had moeten schorsen nu na de geldige betekening van de dagvaarding en voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting alsnog een adres van de verdachte bekend was geworden, waarop hij in de GBA was ingeschreven. In onderhavige zaak is na een rechtsgeldige betekening overeenkomstig art. 588, derde lid onder c, Sv van de oproeping van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting van 29 oktober 2013 een nieuw adres van de verdachte (in het buitenland) bekend geworden, waarvan - zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2013 - ook het hof op de hoogte was. Daarom is er geen sprake van een situatie waarin het hof mocht aannemen dat de verdachte afstand van zijn aanwezigheidsrecht had gedaan en is het oordeel dat er geen reden bestond om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog in zijn tegenwoordigheid te worden berecht niet zonder meer begrijpelijk. [1]
8. Het middel slaagt.
9. Nu het eerste middel slaagt, behoeven de overige middelen geen bespreking. Uiteraard ben ik, indien de Hoge Raad over het eerste middel anders zou oordelen, tot een aanvullende conclusie bereid.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:530.