Conclusie
1.[verweerder 1],
[verweerster 2],
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Beoordeling van het cassatiemiddel
subonderdeel D.2ziet) is ingesteld onder de volgende, in MvG van [eiser] in § 3.1 geformuleerde voorwaarde: “Gevoegd simultaan behandelen van vrijwaring en hoofdzaken wordt gevorderd, behoudens onder voorwaarde dat het principaal appel (hierna VII.) geen doel treft én huurbescherming (hierna VI.) wel toegewezen wordt.” Het hof heeft dit kennelijk zo gelezen, dat het Grief III niet behoefde te behandelen indien het principaal appel niet zou slagen, met andere woorden onder de voorwaarde dat het principaal appel zou slagen. Dat oordeel is feitelijk en gezien de wijze van formulering van de MvG niet onbegrijpelijk te noemen.
subonderdeel D.1heeft het hof miskend dat grief I was ingesteld onder de in de MvG [eiser] § 1.1 bedoelde voorwaarde dat de Hoge Raad in de zaak 09/01260 niet casseert. In de toelichting op deze grief wordt in § 1.0.1.2 echter eveneens gerefereerd aan deze “simultaneïteit”. Het hof heeft daarin kennelijk aanleiding gezien te oordelen dat Grief I eveneens was ingesteld onder de voorwaarde dat het principaal appel zou slagen. Ook dit oordeel is feitelijk en gezien de wijze van formulering van de MvG niet onbegrijpelijk te noemen.
subonderdeel D.2“voorwaardelijk (…) afhankelijk van toewijzing van grief VI”. Die voorwaarde heeft het hof kennelijk, en niet onbegrijpelijk niet gelezen in de MvG van [eiser] § 5.1. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat ook deze voorwaardelijke grief was ingesteld onder de voorwaarde dat het principaal appel zou slagen.
Onderdeel Dkeert zich vergeefs tegen een feitelijke en niet onbegrijpelijke lezing van de incidentele grieven van [eiser].
onderdeel Afaalt, nu dit het bestaan van bedoelde voorwaarde miskent. Overigens voldoet dit onderdeel niet aan de daaraan te stellen eisen. Het overleggen van processtukken uit een andere procedure is niet voldoende om hetgeen in die stukken aan stellingen en feiten is te vinden te beschouwen als aangevoerd in het geding waarin dat overleggen heeft plaatsgevonden. De partij die zulke stellingen en feiten wil inroepen, dient dit op een zodanige wijze te doen dat zulks voor de rechter en de wederpartij duidelijk is. [10]
onderdeel Kfaalt. Overigens lijkt dit onderdeel er van uit te gaan dat de kosten inzake de vrijwaring automatisch worden doorgeschoven naar de hoofdzaak; dit is niet het geval. [11]
subonderdelen B.2 en B.3zijn bepaalde essentiële stellingen van [eiser] miskend, waarbij mede wordt verwezen naar “Hof II” en “Hof III”. Uit het middel wordt duidelijk dat met “Hof II” en Hof III” wordt gedoeld op eerdere uitspraken van het hof, maar welke dat zijn, wordt uit het middel niet duidelijk, ook niet uit de verwijzing naar de MvG van [eiser] p. 7 e.v. Voorts blijft ook na bestudering van de paragrafen waarnaar de subonderdelen verwijzen, onduidelijk welke stellingen het subonderdeel daarin wenst ingelezen te zien en waarom die stellingen vervolgens ook essentieel zijn. Ook hier strandt de klacht dus op de drempel van art. 407 Rv Pro.
subonderdeel C.2, dat in verschillende varianten ten onrechte lijkt te veronderstellen dat art. 7:269 BW Pro en art. 7A:1623k (oud) BW ook voor onderhavige woonruimte gelden.
subonderdelen F.1 en F.2falen daarom.
subonderdeel F.3, dat het hof in rov. 4.2.4 de Rule of Law miskent door het oordeel van de kantonrechter dat de woning onzelfstandig is zonder zichtbare weging van de norm juist te noemen, mist feitelijke grondslag. Het hof verwijst aan het slot van rov. 4.2.4 immers naar zijn behandeling van grief VI in rov. 4.2.6.
subonderdelen H.1 t/m H.4betogen dat het hof zijn oordeel in rov. 4.2.6 niet heeft gemotiveerd, mist het feitelijke grondslag (zie hiervoor ook de bespreking van de onderdelen B, C en G). Voorzover zij betogen dat het oordeel van het hof onjuist is in het licht van de door [eiser] aangevoerde stellingen, voldoen de klachten niet aan de op grond van art. 407 Rv Pro daaraan te stellen eisen.
Subonderdeel H.5mist feitelijke grondslag waar het veronderstelt dat het hof in het midden heeft gelaten of de rechtsverhouding tussen [eiser] en [verweerder] als huur van woonruimte moet worden aangemerkt.