ECLI:NL:PHR:2014:307
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperking van verticale verliesverrekening voor houdstermaatschappijen en uitleg van feitelijke werkzaamheid
De zaak betreft de uitleg van de houdsterverliesregeling in art. 20(4) Wet Vpb, die de verticale verrekening van verliezen beperkt voor belastingplichtigen die nagenoeg het gehele jaar uitsluitend houdsteractiviteiten verrichten. De centrale vragen zijn of voorbereidende en afwikkelende werkzaamheden buiten de periode van daadwerkelijk houdsterschap ook onder het begrip 'feitelijke werkzaamheid bestaande uit het houden van deelnemingen' vallen en of perioden zonder feitelijke werkzaamheid buiten beschouwing moeten blijven bij de 90%-tijdtoets.
De feiten betreffen vier belanghebbenden die verliezen leden in jaren waarin zij minder dan 90% van het jaar daadwerkelijk een deelneming hielden, deels vanwege periodes voorafgaand aan verwerving of na liquidatie van deelnemingen. Rechtbank Haarlem en het Hof Amsterdam stelden dat alleen de periode van daadwerkelijk houdsterschap telt en dat voorbereidende of afwikkelende werkzaamheden niet onder de regeling vallen. Ook perioden van inactiviteit tellen mee in de tijdstoets.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in en voerde aan dat voorbereidende en afwikkelende werkzaamheden onlosmakelijk verbonden zijn met houdsterschap en dat perioden zonder feitelijke werkzaamheid buiten beschouwing moeten blijven. Advocaat-Generaal Wattel concludeerde dat hoewel voorbereidende en afwikkelende werkzaamheden in theorie onder houdsterschap kunnen vallen, dit praktisch onuitvoerbaar is en de maatstaf van daadwerkelijk houden van deelnemingen de voorkeur verdient. Ook de 90%-tijdtoets moet strikt worden uitgelegd inclusief perioden zonder werkzaamheden.
De Hoge Raad bevestigt dat alleen de periode waarin daadwerkelijk een deelneming wordt gehouden telt voor de beoordeling van feitelijke werkzaamheid en dat de 90%-tijdtoets betrekking heeft op het gehele boekjaar, inclusief perioden zonder feitelijke werkzaamheid. Dit leidt tot de conclusie dat verliezen in jaren waarin minder dan 90% van het jaar daadwerkelijk een deelneming werd gehouden niet als houdsterverlies kunnen worden aangemerkt. De regeling is strikt en teleologische afwijkingen zijn niet toegestaan vanwege de onduidelijke ratio en het budgettaire karakter van de regeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat alleen de periode van daadwerkelijk houdsterschap meetelt voor de houdsterverliesregeling.