Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Geding voor Rechtbank Haarlem, Hof Amsterdam, de Hoge Raad en Hof Den Haag na verwijzing
4.Het geding in cassatie
5.Beschouwing
musea,dierentuinen, bioscopen,
tentoonstellingen en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen(…)
.”
Mede in verband hiermee heb ik besloten evenmin restrictief te zijn, en voor te stellen in Nederland in dezen dezelfde reikwijdte te geven aan de toepassing van het verlaagde tarief.In verband hiermee is in de wettekst expliciet aangegeven dat onder muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen ook zijn begrepen opera's, operettes, dansen, pantomimes, revues, musicals en cabarets.
Om te voorkomen dat musea ter zake met extra administratieve lasten worden geconfronteerd stel ik voor het verlaagde tarief – naast het verlenen van toegang – tevens van toepassing te doen zijn op de levering van catalogi, foto's en fotokopieën. (...)” [11]
Museum is geen museum is geen museum voor de belastingwetgever, [22] waarin zij signaleert dat diverse belastingwetten een verschillend begrip ‘museum’ hanteren en waarin zij pleit voor een eenvormige definitie, die aansluit bij de voorwaarden die worden gesteld voor opname in het Nederlands Museumregister, bij de instelling waarvan de vorengeciteerde omschrijving – naar Hemels aangeeft – als uitgangspunt heeft gegolden.
geoordeeld dat in het onderhavige geval sprake is van een natuurpark met daarin aanwezige museale aspecten, welk park niet kan worden aangeduid als een museum of een openbare verzameling.
moet onder een museum worden verstaan een ruimte waarin een duurzaam samenhangende collectie goederen is uitgestald, waarover het publiek wordt geïnformeerd voor doeleinden van studie, educatie en cultureel genoegen.Het Hof was kennelijk van oordeel dat de buiten het museumgedeelte aangeboden faciliteiten van andere aard zijn en voorts dat deze faciliteiten zodanig overheersend zijn dat deze het karakter van de dienst bepalen. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op hun juistheid worden getoetst.”
gebouw waarin voorwerpen van kunst of wetenschap zijn bijeengebracht en (althans voor een gedeelte) voortdurend uitgestald worden: een museum is een permanente instelling, in dienst van de gemeenschap en haar ontwikkeling, toegankelijk voor het publiek, niet gericht op het maken van winst, die de materiële getuigenissen van de mens en zijn omgeving verwerft, behoudt, wetenschappelijk onderzoekt, presenteert en hierover informeert voor doeleinden van studie, educatie en genoegen(Van Dale, twaalfde druk, pagina 1875, rechter kolom).
vertonen onderling niet een zodanige samenhang dat zij als museale collectie zijn te duiden. Hetgeen tussen partijen over en weer onweersproken is gebleven duidt eerder op een bescheiden vorm van aankleding van de binnenzijde van de vuurtoren die het bestijgen van de traptreden op weg naar het uitzicht boven moet c.q. kan veraangenamen, zonder dat aannemelijk is dat bezoekers van de vuurtoren zich aldaar vervoegen voor de bezichtiging van die voorwerpen en niet voor het genieten van het uitzicht over eiland, wad en Noordzee.
Het educatieve element ontbreekt. De omzetbelastingtechnische prestatie die belanghebbende verricht is dan ook het tegen betaling laten beklimmen van de vuurtoren om de betalende bezoeker te laten genieten van het uitzicht. (…).”
.