“De raadsman van verdachte heeft ter zake van de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot verkrachting vrijspraak bepleit wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe is - kort gezegd - aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van een begin van uitvoering.
Het hof overweegt als volgt.
Aangeefster [betrokkene 2] heeft bij de politie verklaard dat zij op 26 maart 2012, omstreeks 7.15 uur, door het Valkenberg park te Breda is gefietst en dat zij vlak bij het rode bruggetje een man zag staan. Op het moment dat [betrokkene 2] de man was gepasseerd, werd zij door hem bij haar rug geraakt en de bosjes ingeduwd. Daarbij is haar fiets op haar onderlijf komen te liggen. De man heeft vervolgens geprobeerd [betrokkene 2] verder aan haar haren de bosjes in te sleuren. Toen [betrokkene 2] heeft geroepen dat hij haar los moest laten, is de man haar met zijn vuisten in haar gezicht gaan slaan. Er stond een hek van kippengaas in de bosjes en de man heeft meermalen gezegd dat [betrokkene 2] over het hek moest gaan.
De getuige [getuige] heeft bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat net voor de rode brug in het Valkenberg park te Breda een manspersoon op een meisje in de bosschages zat. Voorts heeft de getuige [getuige] gezien dat het meisje door de man met zijn vuist en met kracht werd geslagen. Op het moment dat [getuige] om hulp is gaan roepen, is de manspersoon hard weggerend.
Uit het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 29 maart 2012 is gebleken dat verdachte op 26 maart 2012, omstreeks 7.20 uur, het Valkenberg park te Breda is komen uitrennen.
Gelet op vorenstaande bewijsmiddelen, in samenhang bezien, acht het hof de verklaring van verdachte, kort gezegd inhoudende dat hij [betrokkene 2] slechts wilde helpen, ongeloofwaardig.
Naar het oordeel van het hof kunnen verdachtes gedragingen, naar de uiterlijke verschijningsvorm, geen ander doel hebben gehad dan het slachtoffer in de bosjes te verkrachten. Zij vormen mitsdien een begin van uitvoering van het misdrijf verkrachting, zoals bewezen is verklaard.
De verweren van de raadsman ter zake het onder 1 en 2 ten laste gelegde worden verworpen.
Het slachtoffer heeft verklaard dat verdachte tweemaal een vinger in haar mond heeft geduwd. De verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer hem in zijn vinger heeft gebeten. Daarmee is deze omstandigheid naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan, maar het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat dit ook geschiedde met het in de tenlastelegging bedoelde oogmerk van seksueel binnendringen van het lichaam. In zoverre dient vrijspraak te volgen.”